kronkelen
werkwoord /ˈkrɔŋkələ(n)/Betekenis
- in veel bochten ergens heen lopen of bewegen
- heen en weer zich in bochten wringen
- zich ~: kronkelend zijn weg gaan
Hoe spreek je kronkelen uit?
/ˈkrɔŋkələn/
Kronkelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kronkelen
kronkelenhele werkwoord — kronkeldeverleden tijd enkelvoud — kronkeldenverleden tijd meervoud — gekronkeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kronkel | kronkelde |
| jij | kronkelt | kronkelde |
| hij, zij, het | kronkelt | kronkelde |
| wij | kronkelen | kronkelden |
| jullie | kronkelen | kronkelden |
| zij | kronkelen | kronkelden |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekronkeld | verleden tijd, deelwoord |
| gekronkeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekronkeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekronkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekronkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekronkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekronkeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekronkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekronkeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekronkeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekronkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekronkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekronkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekronkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekronkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekronkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekronkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekronkeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kronkel | gebiedende wijs |
| kronkel me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| kronkel u/je , kronkelt je | gebiedende wijs |
| kronkelde | verleden tijd |
| kronkelde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kronkelde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kronkelde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| kronkelde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| kronkelde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kronkelde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| kronkelde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| kronkelden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| kronkelden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| kronkelden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| kronkele | aanvoegende wijs |
| kronkele zich | aanvoegende wijs |
| kronkelen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kronkelen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kronkelen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kronkelend | onvoltooid, deelwoord |
| kronkelt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| kronkelt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kronkelt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kronkelt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| kronkelt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kronkelt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben gekronkeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kronkelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kronkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekronkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekronkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekronkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me kronkelen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich kronkelen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je kronkelen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gekronkeld hebben | verleden tijd |
| zich kronkelend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gekronkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekronkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekronkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekronkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekronkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekronkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekronkeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekronkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekronkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekronkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je kronkelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen kronkelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ons kronkelen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich kronkelen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gekronkeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kronkelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u kronkelen | tweede persoon |
| zult u kronkelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u kronkelen | tweede persoon |
| zult zich/u kronkelen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van kronkel met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van kronkelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekronkeld | voltooid deelwoord | kronkelen |
| gekronkelde | woordvorm | kronkelen |
| kronkelde | verleden tijd | kronkelen |
| kronkelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kronkelen |
| kronkele | aanvoegende wijs | kronkelen |
| kronkelende | woordvorm | kronkelen |
| kronkelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kronkelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kronkelen zijn vastgelegd.