kreuk
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- (ongewenste) vouw, kreukel
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vouw, kreukel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kreuken | meervoud |
| kreukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kreukjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kreuken
- gebiedende wijs van kreuken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kreuken
Vervoeging van kreuk
kreukhele werkwoord
Woordfamilie van kreuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kreukje | verkleinwoord | kreuk |
| kreukjes | verkleinwoord meervoud | kreuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kreuk zijn vastgelegd.