kraal
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een doorboord kogeltje van een kleurig materiaal bedoeld als versiering
- een bolrond voorwerpje
- een ronde verdikking in een dunne laag metaal
- een omheinde ruimte, gewoonlijk voor vee
- doorboord versiersel
- omheinde ruimte voor vee
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een doorboord kogeltje van een kleurig materiaal, voornamelijk bedoeld als versiering
- een omheinde ruimte, gewoonlijk voor het houden van vee
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kraaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kraaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| kralen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kralen
- gebiedende wijs van kralen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kralen
Vervoeging van kraal
kraalhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘element van sierketting’ voor het eerst aangetroffen in 1480
Woordfamilie van kraal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kraaltje | verkleinwoord | kraal |
| kraaltjes | verkleinwoord meervoud | kraal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kraal zijn vastgelegd.