kortwieken
werkwoordBetekenis
- een vogel het vliegvermogen ontnemen door de slagpennen te verwijderen
- overdrachtelijk het vermogen tot handelen van een persoon of organisatie drastisch inperken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van kortwieken
kortwiekenhele werkwoord — kortwiekteverleden tijd enkelvoud — kortwiektenverleden tijd meervoud — gekortwiektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kortwiek | kortwiekte |
| jij | kortwiekt | kortwiekte |
| hij, zij, het | kortwiekt | kortwiekte |
| wij | kortwieken | kortwiekten |
| jullie | kortwieken | kortwiekten |
| zij | kortwieken | kortwiekten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekortwiekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekortwiekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekortwiekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekortwiekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekortwiekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekortwiekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekortwiekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekortwiekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekortwiekt | verleden tijd, deelwoord |
| gekortwiekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekortwiekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekortwiekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekortwiekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekortwiekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekortwiekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekortwiekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekortwiekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekortwiekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekortwiekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekortwiekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kortwiek | gebiedende wijs |
| kortwieke | aanvoegende wijs |
| kortwiekend | onvoltooid, deelwoord |
| kortwiekte | verleden tijd |
| te hebben gekortwiekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kortwieken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kortwieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekortwiekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekortwiekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekortwiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekortwiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekortwiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekortwiekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekortwiekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekortwiekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekortwiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekortwiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekortwiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekortwiekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekortwiekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekortwiekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekortwiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekortwiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekortwiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekortwiekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekortwiekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekortwiekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekortwiekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekortwiekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekortwiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekortwiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekortwiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekortwiekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekortwiekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekortwiekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kortwieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekortwiekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekortwiekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekortwiekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kortwieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘de slagpennen van een vogel wegnemen’ voor het eerst aangetroffen in 1717
Woordfamilie van kortwieken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekortwiekt | voltooid deelwoord | kortwieken |
| gekortwiekte | woordvorm | kortwieken |
| kortwiek | gebiedende wijs | kortwieken |
| kortwieke | aanvoegende wijs | kortwieken |
| kortwiekend | onvoltooid deelwoord | kortwieken |
| kortwiekende | woordvorm | kortwieken |
| kortwiekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kortwieken |
| kortwiekte | verleden tijd | kortwieken |
| kortwiekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kortwieken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kortwieken zijn vastgelegd.