konfijten
werkwoordBetekenis
- plaatsen van levensmiddelen in suiker om deze te zoeten en te conserveren
- vlees bij een temperatuur onder de 90 oC langdurig garen in dierlijk vet
werkwoord
- vlees bij een temperatuur onder de 90 ᵒC langdurig garen in dierlijk vet
Vervoeging van konfijten
konfijtenhele werkwoord — konfijtteverleden tijd enkelvoud — konfijttenverleden tijd meervoud — gekonfijtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | konfijt | konfijtte |
| jij | konfijt | konfijtte |
| hij, zij, het | konfijt | konfijtte |
| wij | konfijten | konfijtten |
| jullie | konfijten | konfijtten |
| zij | konfijten | konfijtten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekonfijt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekonfijt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekonfijt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekonfijt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekonfijt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekonfijt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekonfijt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekonfijt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekonfijt | verleden tijd, deelwoord |
| gekonfijt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekonfijt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekonfijt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekonfijt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekonfijt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekonfijt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekonfijt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekonfijt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekonfijt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekonfijt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekonfijt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekonfijt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekonfijt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekonfijt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekonfijt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekonfijt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekonfijt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekonfijt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| konfijt | gebiedende wijs |
| konfijte | aanvoegende wijs |
| konfijtend | onvoltooid, deelwoord |
| konfijtte | verleden tijd |
| te hebben gekonfijt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te konfijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen konfijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekonfijt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekonfijt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekonfijt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekonfijt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekonfijt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekonfijt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekonfijt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekonfijt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekonfijt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekonfijt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekonfijt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekonfijt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekonfijt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekonfijt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekonfijt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekonfijt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekonfijt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekonfijt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekonfijt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekonfijt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekonfijt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekonfijt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekonfijt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekonfijt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekonfijt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekonfijt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekonfijt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekonfijt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekonfijt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekonfijt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekonfijt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekonfijt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekonfijt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekonfijt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen konfijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekonfijt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekonfijt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekonfijt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult konfijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘in suiker inleggen’ voor het eerst aangetroffen in 1340
Woordfamilie van konfijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekonfijt | voltooid deelwoord | konfijten |
| gekonfijte | woordvorm | konfijten |
| konfijt | gebiedende wijs | konfijten |
| konfijte | aanvoegende wijs | konfijten |
| konfijtend | onvoltooid deelwoord | konfijten |
| konfijtende | woordvorm | konfijten |
| konfijtte | verleden tijd | konfijten |
| konfijtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | konfijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van konfijten zijn vastgelegd.