Naar de inhoud

knutselen

zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf

knutselen

werkwoord /knʌtsələ(n)/

Betekenis

  1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
  2. met weinig hulpmiddelen construeren

Hoe spreek je knutselen uit?

/knʌtsələn/

Knutselen bestaat uit drie lettergrepen.

De tekens in /knʌtsələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
k kat
n nek
t tak
s sok
ə de
l land

Vervoeging van knutselen

knutselenhele werkwoord — knutseldeverleden tijd enkelvoud — knutseldenverleden tijd meervoud — geknutseldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik knutsel knutselde
jij knutselt knutselde
hij, zij, het knutselt knutselde
wij knutselen knutselden
jullie knutselen knutselden
zij knutselen knutselden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geknutseld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geknutseld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geknutseld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geknutseld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geknutseld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geknutseld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geknutseld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geknutseld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geknutseld verleden tijd, deelwoord
geknutseld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geknutseld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geknutseld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geknutseld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geknutseld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geknutseld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geknutseld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geknutseld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geknutseld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geknutseld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geknutseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geknutseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geknutseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geknutseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geknutseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geknutseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geknutseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geknutseld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
knutsel gebiedende wijs
knutselde verleden tijd
knutsele aanvoegende wijs
knutselend onvoltooid, deelwoord
te hebben geknutseld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te knutselen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen knutselen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geknutseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geknutseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geknutseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geknutseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geknutseld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geknutseld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geknutseld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geknutseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geknutseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geknutseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geknutseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geknutseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geknutseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geknutseld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geknutseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geknutseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geknutseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geknutseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geknutseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geknutseld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geknutseld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geknutseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geknutseld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geknutseld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geknutseld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal knutselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal knutselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal knutselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geknutseld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geknutseld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geknutseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geknutseld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geknutseld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geknutseld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geknutseld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou knutselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou knutselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou knutselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geknutseld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geknutseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geknutseld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geknutseld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geknutseld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geknutseld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden knutselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden knutselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden knutselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geknutseld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geknutseld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt knutselen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geknutseld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geknutseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geknutseld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geknutseld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geknutseld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geknutseld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen knutselen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen knutselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen knutselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen knutselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geknutseld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geknutseld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geknutseld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult knutselen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘fabrieken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1785

Woordfamilie van knutselen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geknutseld voltooid deelwoord knutselen
geknutselde woordvorm knutselen
knutsel gebiedende wijs knutselen
knutselde verleden tijd knutselen
knutselden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon knutselen
knutsele aanvoegende wijs knutselen
knutselend onvoltooid deelwoord knutselen
knutselende woordvorm knutselen
knutselt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon knutselen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knutselen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over knutselen

Hoe spreek je knutselen uit?
De uitspraak van knutselen is: /knʌtsələ(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent knutselen?
Knutselen is een werkwoord. Het woord betekent: zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je knutselen?
Je vervoegt knutselen als volgt: de tegenwoordige tijd is knutsel, de verleden tijd is knutselde en het voltooid deelwoord is geknutseld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord knutselen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. N 1
  3. U 4
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

knutselen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. N 1
  3. U 2
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

knutselen in het kort

knutselen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van knutselen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort knutselen bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

knutselen: zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
Deel knutselen — standaardnederlands.nl