knisteren
werkwoordBetekenis
- een knetterend geluid maken
Vervoeging van knisteren
knisterenhele werkwoord — knisterdeverleden tijd enkelvoud — knisterdenverleden tijd meervoud — geknisterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knister | knisterde |
| jij | knistert | knisterde |
| hij, zij, het | knistert | knisterde |
| wij | knisteren | knisterden |
| jullie | knisteren | knisterden |
| zij | knisteren | knisterden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geknisterd | verleden tijd, deelwoord |
| geknisterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknisterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknisterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknisterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknisterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknisterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknisterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknisterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknisterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knister | gebiedende wijs |
| knisterde | verleden tijd |
| knistere | aanvoegende wijs |
| knisterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geknisterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knisteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knisteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknisterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knisteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknisterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knisteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘een knetterend geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1864
Woordfamilie van knisteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geknisterd | voltooid deelwoord | knisteren |
| knister | gebiedende wijs | knisteren |
| knisterde | verleden tijd | knisteren |
| knisterden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knisteren |
| knistere | aanvoegende wijs | knisteren |
| knisterend | onvoltooid deelwoord | knisteren |
| knisterende | woordvorm | knisteren |
| knistert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knisteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knisteren zijn vastgelegd.