knak
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kort, droog geluid van iets dat breekt (knakt)
- breuk, waarbij de delen blijven samenhangen
- beschadiging, schade
- sigaar met een knik erin en een spitse punt, bolknak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knakjes | verkleinwoord, meervoud |
| knakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knakken
- gebiedende wijs van knakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knakken
Vervoeging van knak
knakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘tussenwerpsel: nabootsing van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1646
Woordfamilie van knak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knakje | verkleinwoord | knak |
| knakjes | verkleinwoord meervoud | knak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knak zijn vastgelegd.