klooster
zelfstandig naamwoord /klostər/Betekenis
- een kloostergemeenschap
- een gebouw waarin een klooster gevestigd is
Hoe spreek je klooster uit?
/klostər/
Klooster bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| o | boot |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
- een kloostergemeenschap als zodanig
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kloosters | meervoud |
| kloostertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kloostertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘instelling waar mensen zich terugtrekken voor godsdienstig leven’ voor het eerst aangetroffen in 1200
Woordfamilie van klooster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kloosters | meervoud | klooster |
| kloostertje | verkleinwoord | klooster |
| kloostertjes | verkleinwoord meervoud | klooster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klooster zijn vastgelegd.