klit
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een geslacht van planten uit de familie Asteraceae
- bloemhoofdje met stekeltjes
- verstrikte massa, kluwen (van haar)
- lastig persoon die men niet kwijt kan raken
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor planten uit het geslacht Arctium in de familie Asteraceae
- bloemhoofdje met stekeltjes van Arctium
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| klitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| klitjes | verkleinwoord, meervoud |
| klitten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van klitten
- gebiedende wijs van klitten
Vervoeging van klit
klithele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘plant met kleverige bloemknoppen’ voor het eerst aangetroffen in 1477.
Woordfamilie van klit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klitje | verkleinwoord | klit |
| klitjes | verkleinwoord meervoud | klit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klit zijn vastgelegd.