Naar de inhoud

kleinsnijden

aan kleine stukjes snijden

kleinsnijden

werkwoord

Betekenis

  1. aan kleine stukjes snijden

Vervoeging van kleinsnijden

kleinsnijdenhele werkwoord — sneed kleinverleden tijd enkelvoud — sneden kleinverleden tijd meervoud — kleingesnedenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik snij klein sneed klein
jij snijdt klein sneed klein
hij, zij, het snijdt klein sneed klein
wij snijden klein sneden klein
jullie snijden klein sneden klein
zij snijden klein sneden klein
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is kleingesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was kleingesneden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd kleingesneden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt kleingesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal kleingesneden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal kleingesneden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou kleingesneden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou kleingesneden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had kleingesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had kleingesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had kleingesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden kleingesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden kleingesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden kleingesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt kleingesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben kleingesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klein te snijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
klein te zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
klein zal snijden bijzin, toekomende tijd
klein zou snijden bijzin, voorwaardelijk
klein zouden snijden bijzin, voorwaardelijk
klein zoudt snijden bijzin, voorwaardelijk
klein zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
klein zullen snijden bijzin, toekomende tijd
klein zult snijden bijzin, toekomende tijd
kleingesneden verleden tijd, deelwoord
kleingesneden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
kleingesneden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
kleingesneden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
kleingesneden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
kleingesneden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
kleingesneden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
kleingesneden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
kleingesneden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
kleingesneden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
kleingesneden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
kleinsneden bijzin, verleden tijd
kleinsneed bijzin, verleden tijd
kleinsnij bijzin, tegenwoordige tijd
kleinsnijd bijzin, tegenwoordige tijd
kleinsnijdend onvoltooid, deelwoord
kleinsnijdt bijzin, tegenwoordige tijd
sneed klein verleden tijd
snij klein gebiedende wijs
snijd klein gebiedende wijs
te hebben kleingesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kleinsnijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart kleingesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren kleingesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren kleingesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren kleingesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was kleingesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was kleingesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was kleingesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt kleingesneden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal kleingesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal kleingesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal kleingesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal kleingesneden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal kleingesneden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal kleinsnijden bijzin, toekomende tijd
zijn kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt kleingesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou kleingesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou kleingesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou kleingesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou kleingesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou kleingesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou kleingesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou kleinsnijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) kleinsnijden klein zou(dt) snijden bijzin, voorwaardelijk
zouden kleingesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden kleingesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden kleingesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kleingesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden kleingesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden kleingesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden kleinsnijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt kleingesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kleingesneden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt kleinsnijden bijzin, voorwaardelijk
zullen kleingesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen kleingesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen kleingesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kleingesneden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kleingesneden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen kleingesneden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen kleingesneden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kleinsnijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kleinsnijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van klein en snijden

Woordfamilie van kleinsnijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kleingesneden voltooid deelwoord kleinsnijden
kleinsneden subordinate-clause, verleden tijd kleinsnijden
kleinsneed subordinate-clause, verleden tijd kleinsnijden
kleinsnij subordinate-clause, tegenwoordige tijd kleinsnijden
kleinsnijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd kleinsnijden
kleinsnijde with-subordinate-clause kleinsnijden
kleinsnijdend onvoltooid deelwoord kleinsnijden
kleinsnijdende woordvorm kleinsnijden
kleinsnijdt subordinate-clause, tegenwoordige tijd kleinsnijden
sneden klein aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kleinsnijden
sneed klein verleden tijd kleinsnijden
snij klein gebiedende wijs kleinsnijden
snijd klein gebiedende wijs kleinsnijden
snijde klein woordvorm kleinsnijden
snijden klein aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon kleinsnijden
snijdt klein aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kleinsnijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kleinsnijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over kleinsnijden

Wat is de betekenis van kleinsnijden?
Kleinsnijden is een werkwoord. De betekenis is: aan kleine stukjes snijden.
Hoe vervoeg ik kleinsnijden?
Zo vervoeg je kleinsnijden zo: het voltooid deelwoord is kleingesneden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kleinsnijden is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. L 3
  3. E 1
  4. I 1
  5. N 1
  6. S 2
  7. N 1
  8. I 1
  9. J 4
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kleinsnijden levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. L 3
  3. E 1
  4. I 2
  5. N 1
  6. S 2
  7. N 1
  8. I 2
  9. J 4
  10. D 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 23 zonder bonus
  14. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kleinsnijden in het kort

kleinsnijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van kleinsnijden staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort kleinsnijden bij een woordfamilie van 16 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

kleinsnijden: aan kleine stukjes snijden
Deel kleinsnijden — standaardnederlands.nl