Naar de inhoud

klateren

snel op elkaar volgende, heldere geluiden voortbrengen

klateren

werkwoord

Betekenis

  1. snel op elkaar volgende, heldere geluiden voortbrengen
  2. afschaven, afschilferen

Vervoeging van klateren

klaterenhele werkwoord — klaterdeverleden tijd enkelvoud — klaterdenverleden tijd meervoud — geklaterdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klater klaterde
jij klatert klaterde
hij, zij, het klatert klaterde
wij klateren klaterden
jullie klateren klaterden
zij klateren klaterden
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geklaterd verleden tijd, deelwoord
geklaterd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geklaterd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geklaterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geklaterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geklaterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geklaterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geklaterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geklaterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geklaterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geklaterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klater gebiedende wijs
klaterde verleden tijd
klatere aanvoegende wijs
klaterend onvoltooid, deelwoord
kláteren canonical
te hebben geklaterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te klateren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen klateren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klateren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Vervoeging van klateren

klaterenhele werkwoord — klaterdeverleden tijd enkelvoud — klaterdenverleden tijd meervoud — geklateerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klater klaterde
jij klatert klaterde
hij, zij, het klatert klaterde
wij klateren klaterden
jullie klateren klaterden
zij klateren klaterden
Alle 57 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geklateerd verleden tijd, deelwoord
geklaterd verleden tijd, deelwoord
geklaterd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geklaterd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geklaterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geklaterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geklaterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geklaterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geklaterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geklaterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geklaterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geklaterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geklaterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klateerde verleden tijd
klater gebiedende wijs
klatere aanvoegende wijs
klaterend onvoltooid, deelwoord
klatéren canonical
te hebben geklaterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te klateren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen klateren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geklaterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt klateren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen klateren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geklaterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult klateren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘helder klinken’ voor het eerst aangetroffen in 1351

Woordfamilie van klateren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geklaterd voltooid deelwoord klateren
klater gebiedende wijs klateren
klaterde verleden tijd klateren
klaterden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon klateren
klatere aanvoegende wijs klateren
klatert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon klateren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van klateren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over klateren

Wat betekent klateren?
Klateren is een werkwoord. Het woord betekent: snel op elkaar volgende, heldere geluiden voortbrengen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je klateren?
Je vervoegt klateren als volgt: de tegenwoordige tijd is klater, de verleden tijd is klaterde en het voltooid deelwoord is geklaterd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord klateren is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. T 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

klateren levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. L 3
  3. A 1
  4. T 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

klateren in het kort

klateren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van klateren zijn 36 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort klateren bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

klateren: snel op elkaar volgende, heldere geluiden voortbrengen
Deel klateren — standaardnederlands.nl