keper
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkepərBetekenis
- het patroon dat ontstaat door de manier waarop de ketting en de inslag door elkaar gevoerd worden
- een figuur in de vorm: Λ die een dak weergeeft
- dakspant, daksparren, balkwerk van een dak.
Hoe spreek je keper uit?
/ˈkepər/
Keper bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| e | veel |
| p | pak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- patroon dat ontstaat door de manier waarop de ketting en de inslag door elkaar gevoerd worden
- figuur in de vorm: Λ die een dak weergeeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kepers | meervoud |
| kepertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kepertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keperen
- gebiedende wijs van keperen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van keperen
Vervoeging van keper
keperhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘visgraat (in weefsel)’ voor het eerst aangetroffen in 1717
Woordfamilie van keper
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kepers | meervoud | keper |
| kepertje | verkleinwoord | keper |
| kepertjes | verkleinwoord meervoud | keper |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van keper zijn vastgelegd.