Naar de inhoud

kantonneren

troepen legeren in dorpen en steden

kantonneren

werkwoord

Betekenis

  1. troepen legeren in dorpen en steden

Vervoeging van kantonneren

kantonnerenhele werkwoord — kantonneerdeverleden tijd enkelvoud — kantonneerdenverleden tijd meervoud — gekantonneerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kantonneer kantonneerde
jij kantonneert kantonneerde
hij, zij, het kantonneert kantonneerde
wij kantonneren kantonneerden
jullie kantonneren kantonneerden
zij kantonneren kantonneerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gekantonneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gekantonneerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gekantonneerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gekantonneerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gekantonneerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gekantonneerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gekantonneerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gekantonneerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gekantonneerd verleden tijd, deelwoord
gekantonneerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekantonneerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekantonneerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekantonneerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekantonneerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekantonneerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekantonneerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekantonneerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekantonneerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekantonneerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gekantonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gekantonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gekantonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gekantonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gekantonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gekantonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gekantonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekantonneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kantonneer gebiedende wijs
kantonneerde verleden tijd
kantonnere aanvoegende wijs
kantonnerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gekantonneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te kantonneren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kantonneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gekantonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekantonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gekantonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekantonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gekantonneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gekantonneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gekantonneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gekantonneerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gekantonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekantonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gekantonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gekantonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekantonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gekantonneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gekantonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekantonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekantonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekantonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekantonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekantonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gekantonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekantonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekantonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekantonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekantonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekantonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gekantonneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekantonneerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gekantonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekantonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekantonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekantonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekantonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekantonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kantonneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gekantonneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gekantonneerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gekantonneerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult kantonneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse cantonner (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van kantonneren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gekantonneerd voltooid deelwoord kantonneren
gekantonneerde woordvorm kantonneren
kantonneer gebiedende wijs kantonneren
kantonneerde verleden tijd kantonneren
kantonneerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kantonneren
kantonneert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kantonneren
kantonnere aanvoegende wijs kantonneren
kantonnerend onvoltooid deelwoord kantonneren
kantonnerende woordvorm kantonneren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kantonneren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over kantonneren

Wat betekent kantonneren?
Kantonneren is een werkwoord. Het woord betekent: troepen legeren in dorpen en steden.
Hoe vervoeg je kantonneren?
Je vervoegt kantonneren als volgt: de tegenwoordige tijd is kantonneer, de verleden tijd is kantonneerde en het voltooid deelwoord is gekantonneerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kantonneren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. A 1
  3. N 1
  4. T 2
  5. O 1
  6. N 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kantonneren levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. A 1
  3. N 1
  4. T 2
  5. O 1
  6. N 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 15 zonder bonus
  13. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kantonneren in het kort

kantonneren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van kantonneren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort kantonneren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

kantonneren: troepen legeren in dorpen en steden
Deel kantonneren — standaardnederlands.nl