kantonneren
werkwoordBetekenis
- troepen legeren in dorpen en steden
Vervoeging van kantonneren
kantonnerenhele werkwoord — kantonneerdeverleden tijd enkelvoud — kantonneerdenverleden tijd meervoud — gekantonneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kantonneer | kantonneerde |
| jij | kantonneert | kantonneerde |
| hij, zij, het | kantonneert | kantonneerde |
| wij | kantonneren | kantonneerden |
| jullie | kantonneren | kantonneerden |
| zij | kantonneren | kantonneerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gekantonneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekantonneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekantonneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekantonneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekantonneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekantonneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekantonneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekantonneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekantonneerd | verleden tijd, deelwoord |
| gekantonneerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekantonneerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gekantonneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekantonneerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekantonneerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekantonneerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekantonneerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gekantonneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekantonneerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gekantonneerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekantonneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kantonneer | gebiedende wijs |
| kantonneerde | verleden tijd |
| kantonnere | aanvoegende wijs |
| kantonnerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekantonneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kantonneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kantonneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekantonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gekantonneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gekantonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekantonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekantonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gekantonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekantonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekantonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekantonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekantonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekantonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekantonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekantonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekantonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekantonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekantonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekantonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gekantonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekantonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekantonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekantonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gekantonneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekantonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekantonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekantonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gekantonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekantonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekantonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kantonneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekantonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekantonneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gekantonneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kantonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse cantonner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van kantonneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekantonneerd | voltooid deelwoord | kantonneren |
| gekantonneerde | woordvorm | kantonneren |
| kantonneer | gebiedende wijs | kantonneren |
| kantonneerde | verleden tijd | kantonneren |
| kantonneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kantonneren |
| kantonneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kantonneren |
| kantonnere | aanvoegende wijs | kantonneren |
| kantonnerend | onvoltooid deelwoord | kantonneren |
| kantonnerende | woordvorm | kantonneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kantonneren zijn vastgelegd.