kanonneren
werkwoordBetekenis
- met kanonnen beschieten
Vervoeging van kanonneren
kanonnerenhele werkwoord — kanonneerdeverleden tijd enkelvoud — kanonneerdenverleden tijd meervoud — gekanonneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kanonneer | kanonneerde |
| jij | kanonneert | kanonneerde |
| hij, zij, het | kanonneert | kanonneerde |
| wij | kanonneren | kanonneerden |
| jullie | kanonneren | kanonneerden |
| zij | kanonneren | kanonneerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gekanonneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekanonneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekanonneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekanonneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekanonneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekanonneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekanonneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekanonneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekanonneerd | verleden tijd, deelwoord |
| gekanonneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekanonneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekanonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekanonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekanonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekanonneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekanonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekanonneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekanonneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekanonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekanonneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekanonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekanonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekanonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekanonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekanonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekanonneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kanonneer | gebiedende wijs |
| kanonneerde | verleden tijd |
| kanonnere | aanvoegende wijs |
| kanonnerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekanonneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kanonneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kanonneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekanonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekanonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekanonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekanonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekanonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekanonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekanonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekanonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekanonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekanonneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekanonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekanonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekanonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kanonneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekanonneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kanonneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse canonner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van kanonneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekanonneerd | voltooid deelwoord | kanonneren |
| gekanonneerde | woordvorm | kanonneren |
| kanonneer | gebiedende wijs | kanonneren |
| kanonneerde | verleden tijd | kanonneren |
| kanonneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kanonneren |
| kanonneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kanonneren |
| kanonnere | aanvoegende wijs | kanonneren |
| kanonnerend | onvoltooid deelwoord | kanonneren |
| kanonnerende | woordvorm | kanonneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kanonneren zijn vastgelegd.