kanker
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkɑŋkərBetekenis
- aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
- voortwoekerend kwaad zoals bijv. betonkanker, muurkanker
- ziekte bij dieren, planten of bomen bijv. hoefkanker, aardappelkanker of boomkanker
Hoe spreek je kanker uit?
/ˈkɑŋkər/
Kanker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- gebruikt als eerste deel van samenstelling om het negatieve karakter van het tweede deel te versterken #:⚠️ Dit gebruik van het woord roept twijfels op over de gebruiker. intensifier, pejorative, prefix
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kankers | meervoud |
| kankertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kankertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kankeren
- gebiedende wijs van kankeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kankeren
Vervoeging van kanker
kankerhele werkwoord
Herkomst
van Latijn cancer, in de betekenis van ‘ziekte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van kanker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kankers | meervoud | kanker |
| kankertje | verkleinwoord | kanker |
| kankertjes | verkleinwoord meervoud | kanker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kanker zijn vastgelegd.