jubileren
werkwoordBetekenis
- een jubileum vieren
Vervoeging van jubileren
jubilerenhele werkwoord — jubileerdeverleden tijd enkelvoud — jubileerdenverleden tijd meervoud — gejubileerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jubileer | jubileerde |
| jij | jubileert | jubileerde |
| hij, zij, het | jubileert | jubileerde |
| wij | jubileren | jubileerden |
| jullie | jubileren | jubileerden |
| zij | jubileren | jubileerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gejubileerd | verleden tijd, deelwoord |
| gejubileerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejubileerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejubileerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejubileerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejubileerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejubileerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejubileerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejubileerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejubileerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejubileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejubileerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejubileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejubileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejubileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejubileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejubileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejubileerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jubileer | gebiedende wijs |
| jubileerde | verleden tijd |
| jubilere | aanvoegende wijs |
| jubilerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejubileerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jubileren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jubileren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejubileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejubileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejubileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejubileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejubileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejubileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejubileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejubileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejubileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejubileerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejubileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejubileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejubileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jubileren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejubileerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jubileren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse jubiler (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van jubileren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejubileerd | voltooid deelwoord | jubileren |
| jubileer | gebiedende wijs | jubileren |
| jubileerde | verleden tijd | jubileren |
| jubileerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | jubileren |
| jubileert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | jubileren |
| jubilere | aanvoegende wijs | jubileren |
| jubilerend | onvoltooid deelwoord | jubileren |
| jubilerende | woordvorm | jubileren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jubileren zijn vastgelegd.