jodelen
werkwoord /ˈjodələ(n)/Betekenis
- zingen met een snelle wisseling van buikstem naar kopstem
Hoe spreek je jodelen uit?
/ˈjodələn/
Jodelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| o | boot |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van jodelen
jodelenhele werkwoord — jodeldeverleden tijd enkelvoud — jodeldenverleden tijd meervoud — gejodeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jodel | jodelde |
| jij | jodelt | jodelde |
| hij, zij, het | jodelt | jodelde |
| wij | jodelen | jodelden |
| jullie | jodelen | jodelden |
| zij | jodelen | jodelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gejodeld | verleden tijd, deelwoord |
| gejodeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejodeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejodeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejodeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejodeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejodeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejodeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejodeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejodeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejodeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejodeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jodel | gebiedende wijs |
| jodelde | verleden tijd |
| jodele | aanvoegende wijs |
| jodelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gejodeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jodelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jodelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejodeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jodelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejodeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jodelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘manier van zingen bij de alpenbewoners’ voor het eerst aangetroffen in 1890
Woordfamilie van jodelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejodeld | voltooid deelwoord | jodelen |
| jodel | gebiedende wijs | jodelen |
| jodelde | verleden tijd | jodelen |
| jodelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | jodelen |
| jodele | aanvoegende wijs | jodelen |
| jodelend | onvoltooid deelwoord | jodelen |
| jodelende | woordvorm | jodelen |
| jodelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | jodelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jodelen zijn vastgelegd.