Naar de inhoud

jeuzelen

oeverloos praten, zeuren, ongericht bezig zijn

jeuzelen

werkwoord

Betekenis

  1. oeverloos praten, zeuren, ongericht bezig zijn
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van jeuzelen

jeuzelenhele werkwoord — jeuzeldeverleden tijd enkelvoud — jeuzeldenverleden tijd meervoud — gejeuzeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik jeuzel jeuzelde
jij jeuzelt jeuzelde
hij, zij, het jeuzelt jeuzelde
wij jeuzelen jeuzelden
jullie jeuzelen jeuzelden
zij jeuzelen jeuzelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gejeuzeld verleden tijd, deelwoord
gejeuzeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gejeuzeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gejeuzeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gejeuzeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gejeuzeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gejeuzeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gejeuzeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gejeuzeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gejeuzeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gejeuzeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejeuzeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gejeuzeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gejeuzeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gejeuzeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gejeuzeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejeuzeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gejeuzeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
jeuzel gebiedende wijs
jeuzelde verleden tijd
jeuzele aanvoegende wijs
jeuzelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gejeuzeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te jeuzelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen jeuzelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gejeuzeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gejeuzeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gejeuzeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gejeuzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gejeuzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gejeuzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gejeuzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gejeuzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gejeuzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gejeuzeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gejeuzeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gejeuzeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gejeuzeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen jeuzelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gejeuzeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult jeuzelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van jeuzelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gejeuzeld voltooid deelwoord jeuzelen
jeuzel gebiedende wijs jeuzelen
jeuzelde verleden tijd jeuzelen
jeuzelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon jeuzelen
jeuzele aanvoegende wijs jeuzelen
jeuzelend onvoltooid deelwoord jeuzelen
jeuzelende woordvorm jeuzelen
jeuzelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon jeuzelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jeuzelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over jeuzelen

Wat is de betekenis van jeuzelen?
Jeuzelen is een werkwoord. De betekenis is: oeverloos praten, zeuren, ongericht bezig zijn. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik jeuzelen?
Zo vervoeg je jeuzelen zo: de tegenwoordige tijd is jeuzel, de verleden tijd is jeuzelde en het voltooid deelwoord is gejeuzeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord jeuzelen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. J 4
  2. E 1
  3. U 4
  4. Z 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

jeuzelen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. J 4
  2. E 1
  3. U 2
  4. Z 5
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

jeuzelen in het kort

jeuzelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van jeuzelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort jeuzelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

jeuzelen: oeverloos praten, zeuren, ongericht bezig zijn
Deel jeuzelen — standaardnederlands.nl