jammer
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, tussenwerpsel, bijwoord, werkwoord ˈjɑmərBetekenis
- jammerklacht, weeklagen
- alleen predicatief teleurstellend, spijtig
- een uitroep van teleurstelling.
- spottend, schijnheilig.
- ~ genoeg drukt betreurenswaardigheid uit.
- ~ wees: spijten
- het spijt me, sorry
Hoe spreek je jammer uit?
/ˈjɑmər/
Jammer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jammeren | meervoud |
| jammertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| jammertjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] jammer | canonical |
tussenwerpsel
- uitroep van teleurstelling
- spottend, met geveinsd medelijden
Verbuiging en vervoeging (tussenwerpsel)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] jammer | canonical |
Verbuiging en vervoeging (bijwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] jammer | canonical |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jammeren
- gebiedende wijs van jammeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jammeren
Vervoeging van jammer
jammerhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] jammer | canonical |
zelfstandig naamwoord — masculine
- muzikant die met andere muzikanten onvoorbereid en improviserend samenspeelt
- apparaat dat elektromagnetische straling gebruikt om de werking van afluisterapparatuur, mobiele telefoons of wifi te blokkeren
- apparaat dat elektromagnetische straling gebruikt om communicatie en wapens van de tegenstander te verstoren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jammers | enkelvoud |
Woordfamilie van jammer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jammerder | woordvorm | jammer |
| jammerdere | woordvorm | jammer |
| jammerders | woordvorm | jammer |
| jammers | enkelvoud | jammer |
| jammerst | woordvorm | jammer |
| jammerste | woordvorm | jammer |
| jammertje | verkleinwoord | jammer |
| jammertjes | verkleinwoord meervoud | jammer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jammer zijn vastgelegd.