itereren
werkwoordBetekenis
- herhalen
Vervoeging van itereren
itererenhele werkwoord — itereerdeverleden tijd enkelvoud — itereerdenverleden tijd meervoud — geïtereerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | itereer | itereerde |
| jij | itereert | itereerde |
| hij, zij, het | itereert | itereerde |
| wij | itereren | itereerden |
| jullie | itereren | itereerden |
| zij | itereren | itereerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïtereerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïtereerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïtereerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïtereerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïtereerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïtereerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïtereerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïtereerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïtereerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïtereerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïtereerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïtereerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïtereerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïtereerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïtereerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïtereerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïtereerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïtereerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïtereerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïtereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïtereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïtereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïtereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïtereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïtereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïtereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïtereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| itereer | gebiedende wijs |
| itereerde | verleden tijd |
| iterere | aanvoegende wijs |
| itererend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geïtereerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te itereren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen itereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïtereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïtereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïtereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïtereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïtereerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïtereerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïtereerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïtereerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïtereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïtereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïtereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïtereerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïtereerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal itereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal itereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal itereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïtereerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïtereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïtereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïtereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïtereerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïtereerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïtereerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou itereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou itereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou itereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïtereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïtereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïtereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïtereerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïtereerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïtereerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden itereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden itereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden itereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïtereerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïtereerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt itereren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïtereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïtereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïtereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïtereerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïtereerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïtereerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen itereren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen itereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen itereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen itereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïtereerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïtereerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïtereerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult itereren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse itérer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van itereren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïtereerd | voltooid deelwoord | itereren |
| geïtereerde | woordvorm | itereren |
| itereer | gebiedende wijs | itereren |
| itereerde | verleden tijd | itereren |
| itereerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | itereren |
| itereert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | itereren |
| iterere | aanvoegende wijs | itereren |
| itererend | onvoltooid deelwoord | itereren |
| itererende | woordvorm | itereren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van itereren zijn vastgelegd.