isoleren
werkwoordBetekenis
- afsluiten van alle omgang met andere mensen
- een bepaalde stof in zuivere vorm in handen zien te krijgen door deze te scheiden van alle andere stoffen in een mengsel
- elektrisch contact onmogelijk maken
- warmteuitwisseling voorkomen of verminderen
Vervoeging van isoleren
isolerenhele werkwoord — isoleerdeverleden tijd enkelvoud — isoleerdenverleden tijd meervoud — geïsoleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | isoleer | isoleerde |
| jij | isoleert | isoleerde |
| hij, zij, het | isoleert | isoleerde |
| wij | isoleren | isoleerden |
| jullie | isoleren | isoleerden |
| zij | isoleren | isoleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geïsoleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïsoleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïsoleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïsoleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïsoleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïsoleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïsoleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïsoleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïsoleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïsoleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïsoleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïsoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïsoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïsoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïsoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïsoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïsoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïsoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïsoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïsoleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïsoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïsoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïsoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïsoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïsoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïsoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| isoleer | gebiedende wijs |
| isoleerde | verleden tijd |
| isolere | aanvoegende wijs |
| isolerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geïsoleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te isoleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen isoleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geïsoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïsoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïsoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geïsoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïsoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïsoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïsoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïsoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïsoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïsoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïsoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïsoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïsoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen isoleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïsoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult isoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘afzonderen’ voor het eerst aangetroffen in 1799
Woordfamilie van isoleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| isoleer | gebiedende wijs | isoleren |
| isoleerde | verleden tijd | isoleren |
| isoleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | isoleren |
| isoleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | isoleren |
| isolere | aanvoegende wijs | isoleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van isoleren zijn vastgelegd.