inzinken
werkwoordBetekenis
- zinken in iets anders
Vervoeging van inzinken
inzinkenhele werkwoord — zonk inverleden tijd enkelvoud — zonken inverleden tijd meervoud — ingezonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zink in | zonk in |
| jij | zinkt in | zonk in |
| hij, zij, het | zinkt in | zonk in |
| wij | zinken in | zonken in |
| jullie | zinken in | zonken in |
| zij | zinken in | zonken in |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ingezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| in te zinken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen zinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal zinken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou zinken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden zinken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt zinken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen zinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen zinken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult zinken | bijzin, toekomende tijd |
| ingezonken | verleden tijd, deelwoord |
| ingezonken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingezonken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inzink | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inzinkend | onvoltooid, deelwoord |
| inzinkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inzonk | bijzin, verleden tijd |
| inzonken | bijzin, verleden tijd |
| is ingezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn ingezonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inzinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingezonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingezonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingezonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingezonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingezonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingezonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingezonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ingezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inzinken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingezonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ingezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingezonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zink in | gebiedende wijs |
| zonk in | verleden tijd |
| zou ingezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inzinken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inzinken in zou(dt) zinken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inzinken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingezonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inzinken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inzinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inzinken | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingezonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inzinken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inzinken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal inzinken in zult/zal zinken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in en zinken
Woordfamilie van inzinken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingezonken | voltooid deelwoord | inzinken |
| inzink | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inzinken |
| inzinke | with-subordinate-clause | inzinken |
| inzinkend | onvoltooid deelwoord | inzinken |
| inzinkende | woordvorm | inzinken |
| inzinkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inzinken |
| inzonk | subordinate-clause, verleden tijd | inzinken |
| inzonken | subordinate-clause, verleden tijd | inzinken |
| zink in | gebiedende wijs | inzinken |
| zinke in | woordvorm | inzinken |
| zinken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inzinken |
| zinkt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inzinken |
| zonk in | verleden tijd | inzinken |
| zonken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inzinken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inzinken zijn vastgelegd.