inzenden
werkwoord ˈɪnzɛndə(n)Betekenis
- een bijdrage naar een zekere instantie sturen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je inzenden uit?
/ˈɪnzɛndən/
Inzenden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| z | zon |
| ɛ | bed |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van inzenden
inzendenhele werkwoord — zond inverleden tijd enkelvoud — zonden inverleden tijd meervoud — ingezondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zend in | zond in |
| jij | zendt in | zond in |
| hij, zij, het | zendt in | zond in |
| wij | zenden in | zonden in |
| jullie | zenden in | zonden in |
| zij | zenden in | zonden in |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingezonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingezonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingezonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingezonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingezonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingezonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingezonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingezonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingezonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te zenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen zenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal zenden | bijzin, toekomende tijd |
| in zou zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen zenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen zenden | bijzin, toekomende tijd |
| in zult zenden | bijzin, toekomende tijd |
| ingezonden | verleden tijd, deelwoord |
| ingezonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingezonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingezonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingezonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingezonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingezonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingezonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingezonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingezonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingezonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inzend | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inzendend | onvoltooid, deelwoord |
| inzendt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inzond | bijzin, verleden tijd |
| inzonden | bijzin, verleden tijd |
| inzondt | bijzin, verleden tijd |
| is ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben ingezonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inzenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inzenden | bijzin, toekomende tijd |
| zend in | gebiedende wijs |
| zijn ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zond in | verleden tijd |
| zou ingezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inzenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inzenden in zou(dt) zenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inzenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inzenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inzenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inzenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inzenden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en zenden ww
Woordfamilie van inzenden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingezonden | voltooid deelwoord | inzenden |
| inzend | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inzenden |
| inzende | with-subordinate-clause | inzenden |
| inzendend | onvoltooid deelwoord | inzenden |
| inzendende | woordvorm | inzenden |
| inzendt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inzenden |
| inzond | subordinate-clause, verleden tijd | inzenden |
| inzonden | subordinate-clause, verleden tijd | inzenden |
| zend in | gebiedende wijs | inzenden |
| zende in | woordvorm | inzenden |
| zenden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inzenden |
| zendt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inzenden |
| zond in | verleden tijd | inzenden |
| zonden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inzenden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inzenden zijn vastgelegd.