Naar de inhoud

inwonen

iemands anders huis medebewonen

inwonen

werkwoord ˈɪɱwonə(n)

Betekenis

  1. iemands anders huis medebewonen

Hoe spreek je inwonen uit?

/ˈɪmwonən/

Inwonen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɪmwonən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
m maan
w quiz
o boot
n nek
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van inwonen

inwonenhele werkwoord — woonde inverleden tijd enkelvoud — woonden inverleden tijd meervoud — ingewoondvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik woon in woonde in
jij woont in woonde in
hij, zij, het woont in woonde in
wij wonen in woonden in
jullie wonen in woonden in
zij wonen in woonden in
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ingewoond voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingewoond voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingewoond voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingewoond voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingewoond voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingewoond voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingewoond voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingewoond voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingewoond actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingewoond voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingewoond voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingewoond voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingewoond voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te wonen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen wonen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal wonen bijzin, toekomende tijd
in zou wonen bijzin, voorwaardelijk
in zouden wonen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt wonen bijzin, voorwaardelijk
in zullen wonen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen wonen bijzin, toekomende tijd
in zult wonen bijzin, toekomende tijd
ingewoond verleden tijd, deelwoord
ingewoond te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingewoond zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inwonend onvoltooid, deelwoord
inwoon bijzin, tegenwoordige tijd
inwoonde bijzin, verleden tijd
inwoonden bijzin, verleden tijd
inwoont bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben ingewoond actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inwonen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
woon in gebiedende wijs
woonde in verleden tijd
zal ingewoond hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingewoond hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingewoond hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inwonen bijzin, toekomende tijd
zou ingewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inwonen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inwonen in zou(dt) wonen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inwonen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingewoond hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inwonen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingewoond hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingewoond hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingewoond hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inwonen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inwonen bijzin, toekomende tijd
zult ingewoond hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult inwonen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inwonen bijzin, toekomende tijd
zult/zal inwonen in zult/zal wonen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in en wonen

Woordfamilie van inwonen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingewoond voltooid deelwoord inwonen
inwone with-subordinate-clause inwonen
inwoon subordinate-clause, tegenwoordige tijd inwonen
inwoonde subordinate-clause, verleden tijd inwonen
inwoonden subordinate-clause, verleden tijd inwonen
inwoont subordinate-clause, tegenwoordige tijd inwonen
wone in woordvorm inwonen
wonen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inwonen
woon in gebiedende wijs inwonen
woonde in verleden tijd inwonen
woonden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inwonen
woont in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inwonen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inwonen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over inwonen

Hoe spreek ik inwonen uit?
Zo spreek je inwonen uit: /ˈɪɱwonə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van inwonen?
Inwonen is een werkwoord. De betekenis is: iemands anders huis medebewonen.
Hoe vervoeg ik inwonen?
Zo vervoeg je inwonen zo: het voltooid deelwoord is ingewoond. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inwonen is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. W 5
  4. O 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inwonen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 106 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. W 5
  4. O 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 zonder bonus
  9. 106 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

inwonen telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

inwonen in het kort

inwonen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van inwonen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inwonen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inwonen: iemands anders huis medebewonen
Deel inwonen — standaardnederlands.nl