bewonen
werkwoordBetekenis
- wonen in, wonen op
Vervoeging van bewonen
bewonenhele werkwoord — bewoondeverleden tijd enkelvoud — bewoondenverleden tijd meervoud — bewoondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bewoon | bewoonde |
| jij | bewoont | bewoonde |
| hij, zij, het | bewoont | bewoonde |
| wij | bewonen | bewoonden |
| jullie | bewonen | bewoonden |
| zij | bewonen | bewoonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bewone | aanvoegende wijs |
| bewonend | onvoltooid, deelwoord |
| bewoon | gebiedende wijs |
| bewoond | verleden tijd, deelwoord |
| bewoond te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bewoond te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bewoond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bewoond te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bewoond te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bewoond worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bewoond zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bewoond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bewoond zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bewoond zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bewoonde | verleden tijd |
| er is bewoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was bewoond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd bewoond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt bewoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal bewoond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal bewoond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou bewoond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou bewoond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bewoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bewonen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bewoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bewonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart bewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bewonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bewonen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van wonen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bewonen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bewone | aanvoegende wijs | bewonen |
| bewonend | onvoltooid deelwoord | bewonen |
| bewonende | woordvorm | bewonen |
| bewoon | gebiedende wijs | bewonen |
| bewoond | voltooid deelwoord | bewonen |
| bewoonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bewonen |
| bewoont | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bewonen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bewonen zijn vastgelegd.