inwerpen
werkwoord ˈɪnwɛrpə(n)Betekenis
- met een worp iets ergens inbrengen
- door iets te werpen stuk maken
- met een worp weer in het spel brengen
Hoe spreek je inwerpen uit?
/ˈɪnwɛrpən/
Inwerpen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| p | pak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van inwerpen
inwerpenhele werkwoord — wierp inverleden tijd enkelvoud — wierpen inverleden tijd meervoud — ingeworpenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | werp in | wierp in |
| jij | werpt in | wierp in |
| hij, zij, het | werpt in | wierp in |
| wij | werpen in | wierpen in |
| jullie | werpen in | wierpen in |
| zij | werpen in | wierpen in |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is ingeworpen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingeworpen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingeworpen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingeworpen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingeworpen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingeworpen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingeworpen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingeworpen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingeworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingeworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingeworpen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingeworpen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingeworpen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeworpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeworpen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te werpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen werpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal werpen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen werpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen werpen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult werpen | bijzin, toekomende tijd |
| ingeworpen | verleden tijd, deelwoord |
| ingeworpen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeworpen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inwerp | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inwerpend | onvoltooid, deelwoord |
| inwerpt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inwierp | bijzin, verleden tijd |
| inwierpen | bijzin, verleden tijd |
| inwierpt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben ingeworpen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inwerpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| werp in | gebiedende wijs |
| wierp in | verleden tijd |
| zal ingeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inwerpen | bijzin, toekomende tijd |
| zou ingeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inwerpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inwerpen in zou(dt) werpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inwerpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeworpen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inwerpen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inwerpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inwerpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeworpen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inwerpen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inwerpen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal inwerpen in zult/zal werpen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en werpen ww
Woordfamilie van inwerpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingeworpen | voltooid deelwoord | inwerpen |
| inwerp | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inwerpen |
| inwerpe | with-subordinate-clause | inwerpen |
| inwerpend | onvoltooid deelwoord | inwerpen |
| inwerpende | woordvorm | inwerpen |
| inwerpt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inwerpen |
| inwierp | subordinate-clause, verleden tijd | inwerpen |
| inwierpen | subordinate-clause, verleden tijd | inwerpen |
| werp in | gebiedende wijs | inwerpen |
| werpe in | woordvorm | inwerpen |
| werpen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inwerpen |
| werpt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inwerpen |
| wierp in | verleden tijd | inwerpen |
| wierpen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inwerpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inwerpen zijn vastgelegd.