Naar de inhoud

inwaaien

door de wind ergens in geblazen worden

inwaaien

werkwoord

Betekenis

  1. door de wind ergens in geblazen worden
  2. even kort en zonder afspraak een bezoekje afleggen

Vervoeging van inwaaien

inwaaienhele werkwoord — waaide inverleden tijd enkelvoud — waaiden inverleden tijd meervoud — ingewaaidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik waai in waaide in
jij waait in waaide in
hij, zij, het waait in waaide in
wij waaien in waaiden in
jullie waaien in waaiden in
zij waaien in waaiden in
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ingewaaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingewaaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingewaaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingewaaid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingewaaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingewaaid voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingewaaid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingewaaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingewaaid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingewaaid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingewaaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingewaaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingewaaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingewaaid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingewaaid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te waaien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen waaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal waaien bijzin, toekomende tijd
in zou waaien bijzin, voorwaardelijk
in zouden waaien bijzin, voorwaardelijk
in zoudt waaien bijzin, voorwaardelijk
in zullen waaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen waaien bijzin, toekomende tijd
in zult waaien bijzin, toekomende tijd
ingewaaid verleden tijd, deelwoord
ingewaaid te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingewaaid zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inwaai bijzin, tegenwoordige tijd
inwaaide bijzin, verleden tijd
inwaaiden bijzin, verleden tijd
inwaaiend onvoltooid, deelwoord
inwaait bijzin, tegenwoordige tijd
inwoei bijzin, verleden tijd
inwoeien bijzin, verleden tijd
te hebben ingewaaid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inwaaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waai in gebiedende wijs
waaide in verleden tijd
woei in verleden tijd
zal ingewaaid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingewaaid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingewaaid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inwaaien bijzin, toekomende tijd
zou ingewaaid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingewaaid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingewaaid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inwaaien bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inwaaien in zou(dt) waaien bijzin, voorwaardelijk
zouden ingewaaid hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingewaaid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingewaaid hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inwaaien bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingewaaid hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inwaaien bijzin, voorwaardelijk
zullen ingewaaid hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingewaaid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingewaaid hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inwaaien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inwaaien bijzin, toekomende tijd
zult ingewaaid hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult inwaaien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inwaaien bijzin, toekomende tijd
zult/zal inwaaien in zult/zal waaien bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en waaien ww

Woordfamilie van inwaaien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingewaaid voltooid deelwoord inwaaien
inwaai subordinate-clause, tegenwoordige tijd inwaaien
inwaaide subordinate-clause, verleden tijd inwaaien
inwaaiden subordinate-clause, verleden tijd inwaaien
inwaaie with-subordinate-clause inwaaien
inwaaiend onvoltooid deelwoord inwaaien
inwaaiende woordvorm inwaaien
inwaait subordinate-clause, tegenwoordige tijd inwaaien
inwoei subordinate-clause, verleden tijd inwaaien
inwoeien subordinate-clause, verleden tijd inwaaien
waai in gebiedende wijs inwaaien
waaide in verleden tijd inwaaien
waaiden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inwaaien
waaie in woordvorm inwaaien
waaien in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inwaaien
waait in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inwaaien
woei in verleden tijd inwaaien
woeien in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inwaaien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inwaaien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inwaaien

Wat is de betekenis van inwaaien?
Inwaaien is een werkwoord. De betekenis is: door de wind ergens in geblazen worden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik inwaaien?
Zo vervoeg je inwaaien zo: het voltooid deelwoord is ingewaaid. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inwaaien is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. W 5
  4. A 1
  5. A 1
  6. I 1
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inwaaien levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. W 5
  4. A 1
  5. A 1
  6. I 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inwaaien in het kort

inwaaien staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van inwaaien staan er 49 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inwaaien bij een woordfamilie van 18 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inwaaien: door de wind ergens in geblazen worden
Deel inwaaien — standaardnederlands.nl