invorderen
werkwoordBetekenis
- betaling eisen van (een schuld of te veel ontvangen bedrag)
Vervoeging van invorderen
invorderenhele werkwoord — vorderde inverleden tijd enkelvoud — vorderden inverleden tijd meervoud — ingevorderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vorder in | vorderde in |
| jij | vordert in | vorderde in |
| hij, zij, het | vordert in | vorderde in |
| wij | vorderen in | vorderden in |
| jullie | vorderen in | vorderden in |
| zij | vorderen in | vorderden in |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is ingevorderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingevorderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingevorderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingevorderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingevorderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingevorderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingevorderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingevorderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingevorderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingevorderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingevorderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingevorderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingevorderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingevorderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingevorderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingevorderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te vorderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen vorderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal vorderen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou vorderen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden vorderen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt vorderen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen vorderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen vorderen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult vorderen | bijzin, toekomende tijd |
| ingevorderd | verleden tijd, deelwoord |
| ingevorderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingevorderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| invorder | bijzin, tegenwoordige tijd |
| invorderde | bijzin, verleden tijd |
| invorderden | bijzin, verleden tijd |
| invorderend | onvoltooid, deelwoord |
| invordert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben ingevorderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen invorderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vorder in | gebiedende wijs |
| vorderde in | verleden tijd |
| zal ingevorderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingevorderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingevorderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal invorderen | bijzin, toekomende tijd |
| zou ingevorderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingevorderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingevorderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou invorderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) invorderen in zou(dt) vorderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingevorderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingevorderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingevorderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden invorderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingevorderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt invorderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingevorderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingevorderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingevorderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen invorderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen invorderen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingevorderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult invorderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult invorderen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal invorderen in zult/zal vorderen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in en vorderen
Woordfamilie van invorderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingevorderd | voltooid deelwoord | invorderen |
| ingevorderde | woordvorm | invorderen |
| invorder | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | invorderen |
| invorderde | subordinate-clause, verleden tijd | invorderen |
| invorderden | subordinate-clause, verleden tijd | invorderen |
| invordere | with-subordinate-clause | invorderen |
| invorderend | onvoltooid deelwoord | invorderen |
| invorderende | woordvorm | invorderen |
| invordert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | invorderen |
| vorder in | gebiedende wijs | invorderen |
| vorderde in | verleden tijd | invorderen |
| vorderden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | invorderen |
| vordere in | woordvorm | invorderen |
| vorderen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | invorderen |
| vordert in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | invorderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van invorderen zijn vastgelegd.