inverteren
werkwoordBetekenis
- omkeren, omdraaien
werkwoord
- een inversie ondergaan, overgaan naar een omgekeerde toestand intransitive
Vervoeging van inverteren
inverterenhele werkwoord — inverteerdeverleden tijd enkelvoud — inverteerdenverleden tijd meervoud — geïnverteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | inverteer | inverteerde |
| jij | inverteert | inverteerde |
| hij, zij, het | inverteert | inverteerde |
| wij | inverteren | inverteerden |
| jullie | inverteren | inverteerden |
| zij | inverteren | inverteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnverteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnverteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnverteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnverteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnverteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnverteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnverteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnverteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnverteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnverteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnverteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnverteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| inverteer | gebiedende wijs |
| inverteerde | verleden tijd |
| invertere | aanvoegende wijs |
| inverterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geïnverteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te inverteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inverteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geïnverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geïnverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnverteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inverteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnverteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inverteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘omkeren’ voor het eerst aangetroffen in 1658
Woordfamilie van inverteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnverteerd | voltooid deelwoord | inverteren |
| geïnverteerde | woordvorm | inverteren |
| inverteer | gebiedende wijs | inverteren |
| inverteerde | verleden tijd | inverteren |
| inverteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inverteren |
| inverteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inverteren |
| inverterend | onvoltooid deelwoord | inverteren |
| inverterende | woordvorm | inverteren |
| geïnverteerden | meervoud | geïnverteerde |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inverteren zijn vastgelegd.