introuwen
werkwoord ˈɪntrɑuwə(n)Betekenis
- na een huwelijk intrekken
- door het sluiten van een huwelijk deel worden van een gezin of familie en betrokken raken bij de activiteiten en bezittingen daarvan
Hoe spreek je introuwen uit?
/ˈɪntrɑuwən/
Introuwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| t | tak |
| r | rood |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van introuwen
introuwenhele werkwoord — trouwde inverleden tijd enkelvoud — trouwden inverleden tijd meervoud — ingetrouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trouw in | trouwde in |
| jij | trouwt in | trouwde in |
| hij, zij, het | trouwt in | trouwde in |
| wij | trouwen in | trouwden in |
| jullie | trouwen in | trouwden in |
| zij | trouwen in | trouwden in |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ingetrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingetrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| in te trouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen trouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal trouwen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou trouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden trouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt trouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen trouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen trouwen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult trouwen | bijzin, toekomende tijd |
| ingetrouwd | verleden tijd, deelwoord |
| ingetrouwd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingetrouwd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| introuw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| introuwde | bijzin, verleden tijd |
| introuwden | bijzin, verleden tijd |
| introuwend | onvoltooid, deelwoord |
| introuwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingetrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingetrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn ingetrouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen introuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trouw in | gebiedende wijs |
| trouwde in | verleden tijd |
| waart ingetrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingetrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingetrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingetrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingetrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingetrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingetrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ingetrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingetrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingetrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal introuwen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingetrouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ingetrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingetrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingetrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingetrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingetrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingetrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingetrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou introuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) introuwen in zou(dt) trouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingetrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingetrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingetrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden introuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingetrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt introuwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingetrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingetrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingetrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen introuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen introuwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingetrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult introuwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult introuwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal introuwen in zult/zal trouwen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en trouwen ww
Woordfamilie van introuwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingetrouwd | voltooid deelwoord | introuwen |
| introuw | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | introuwen |
| introuwde | subordinate-clause, verleden tijd | introuwen |
| introuwden | subordinate-clause, verleden tijd | introuwen |
| introuwe | with-subordinate-clause | introuwen |
| introuwend | onvoltooid deelwoord | introuwen |
| introuwende | woordvorm | introuwen |
| introuwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | introuwen |
| trouw in | gebiedende wijs | introuwen |
| trouwde in | verleden tijd | introuwen |
| trouwden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | introuwen |
| trouwe in | woordvorm | introuwen |
| trouwen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | introuwen |
| trouwt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | introuwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van introuwen zijn vastgelegd.