intreden
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- tot een kloostergemeenschap gaan behoren
- zijn geldigheid aanvangen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van intreden
intredenhele werkwoord — trad inverleden tijd enkelvoud — traden inverleden tijd meervoud — ingetredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | treed in | trad in |
| jij | treedt in | traadt in |
| hij, zij, het | treedt in | trad in |
| wij | treden in | traden in |
| jullie | treden in | traden in |
| zij | treden in | traden in |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ingetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| in te treden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal treden | bijzin, toekomende tijd |
| in zou treden | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden treden | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt treden | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen treden | bijzin, toekomende tijd |
| in zult treden | bijzin, toekomende tijd |
| ingetreden | verleden tijd, deelwoord |
| ingetreden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingetreden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| intraadt | bijzin, verleden tijd |
| intrad | bijzin, verleden tijd |
| intraden | bijzin, verleden tijd |
| intredend | onvoltooid, deelwoord |
| intreed | bijzin, tegenwoordige tijd |
| intreedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn ingetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen intreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trad in | verleden tijd |
| treed in | gebiedende wijs |
| waart ingetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ingetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal intreden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ingetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou intreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) intreden in zou(dt) treden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden intreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt intreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen intreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen intreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult intreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult intreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal intreden in zult/zal treden | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord intrede
Herkomst
samenstelling van in bw en treden ww
Woordfamilie van intreden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingetreden | voltooid deelwoord | intreden |
| intraadt | subordinate-clause, verleden tijd | intreden |
| intrad | subordinate-clause, verleden tijd | intreden |
| intraden | subordinate-clause, verleden tijd | intreden |
| intredend | onvoltooid deelwoord | intreden |
| intredende | woordvorm | intreden |
| intreed | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | intreden |
| intreedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | intreden |
| traadt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | intreden |
| trad in | verleden tijd | intreden |
| traden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | intreden |
| trede in | woordvorm | intreden |
| treden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | intreden |
| treed in | gebiedende wijs | intreden |
| treedt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | intreden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van intreden zijn vastgelegd.