interpoleren
werkwoordBetekenis
- uit bekende termen van een reeks (een benadering van) daartussen gelegen termen berekenen
- inlassen, tussenvoegen
Vervoeging van interpoleren
interpolerenhele werkwoord — interpoleerdeverleden tijd enkelvoud — interpoleerdenverleden tijd meervoud — geïnterpoleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | interpoleer | interpoleerde |
| jij | interpoleert | interpoleerde |
| hij, zij, het | interpoleert | interpoleerde |
| wij | interpoleren | interpoleerden |
| jullie | interpoleren | interpoleerden |
| zij | interpoleren | interpoleerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïnterpoleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnterpoleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnterpoleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnterpoleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnterpoleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnterpoleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnterpoleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnterpoleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnterpoleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnterpoleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnterpoleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnterpoleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnterpoleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnterpoleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnterpoleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnterpoleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnterpoleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnterpoleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnterpoleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnterpoleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| interpoleer | gebiedende wijs |
| interpoleerde | verleden tijd |
| interpolere | aanvoegende wijs |
| interpolerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïnterpoleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te interpoleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen interpoleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïnterpoleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïnterpoleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïnterpoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnterpoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnterpoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïnterpoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnterpoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïnterpoleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïnterpoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnterpoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnterpoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnterpoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnterpoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnterpoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnterpoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnterpoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnterpoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnterpoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnterpoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnterpoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnterpoleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnterpoleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnterpoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnterpoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnterpoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnterpoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnterpoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnterpoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen interpoleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnterpoleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnterpoleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnterpoleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult interpoleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse interpoler (met het voorvoegsel inter- en met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van interpoleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnterpoleerd | voltooid deelwoord | interpoleren |
| geïnterpoleerde | woordvorm | interpoleren |
| interpoleer | gebiedende wijs | interpoleren |
| interpoleerde | verleden tijd | interpoleren |
| interpoleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | interpoleren |
| interpoleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | interpoleren |
| interpolere | aanvoegende wijs | interpoleren |
| interpolerend | onvoltooid deelwoord | interpoleren |
| interpolerende | woordvorm | interpoleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van interpoleren zijn vastgelegd.