instaan
werkwoord ˈɪnstanBetekenis
- ergens borg voor staan
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je instaan uit?
/ˈɪnstan/
Instaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van instaan
instaanhele werkwoord — stond inverleden tijd enkelvoud — stonden inverleden tijd meervoud — ingestaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sta in | stond in |
| jij | staat in | stond in |
| hij, zij, het | staat in | stond in |
| wij | staan in | stonden in |
| jullie | staan in | stonden in |
| zij | staan in | stonden in |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingestaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingestaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingestaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingestaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te staan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal staan | bijzin, toekomende tijd |
| in zou staan | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden staan | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt staan | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen staan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen staan | bijzin, toekomende tijd |
| in zult staan | bijzin, toekomende tijd |
| ingestaan | verleden tijd, deelwoord |
| ingestaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingestaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| insta | bijzin, tegenwoordige tijd |
| instaand | onvoltooid, deelwoord |
| instaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| instond | bijzin, verleden tijd |
| instonden | bijzin, verleden tijd |
| sta in | gebiedende wijs |
| stond in | verleden tijd |
| te hebben ingestaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen instaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ingestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal instaan | bijzin, toekomende tijd |
| zou ingestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou instaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) instaan in zou(dt) staan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden instaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingestaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt instaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen instaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen instaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingestaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult instaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult instaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal instaan in zult/zal staan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en staan ww
Woordfamilie van instaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingestaan | voltooid deelwoord | instaan |
| insta | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | instaan |
| instaand | onvoltooid deelwoord | instaan |
| instaande | woordvorm | instaan |
| instaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | instaan |
| instond | subordinate-clause, verleden tijd | instaan |
| instonden | subordinate-clause, verleden tijd | instaan |
| sta in | gebiedende wijs | instaan |
| staan in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | instaan |
| staat in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | instaan |
| stond in | verleden tijd | instaan |
| stonden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | instaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van instaan zijn vastgelegd.