Naar de inhoud

instaan

ergens borg voor staan

instaan

werkwoord ˈɪnstan

Betekenis

  1. ergens borg voor staan
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Hoe spreek je instaan uit?

/ˈɪnstan/

Instaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɪnstan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
n nek
s sok
t tak
a maan
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van instaan

instaanhele werkwoord — stond inverleden tijd enkelvoud — stonden inverleden tijd meervoud — ingestaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik sta in stond in
jij staat in stond in
hij, zij, het staat in stond in
wij staan in stonden in
jullie staan in stonden in
zij staan in stonden in
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ingestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingestaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingestaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingestaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingestaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingestaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingestaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te staan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal staan bijzin, toekomende tijd
in zou staan bijzin, voorwaardelijk
in zouden staan bijzin, voorwaardelijk
in zoudt staan bijzin, voorwaardelijk
in zullen staan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen staan bijzin, toekomende tijd
in zult staan bijzin, toekomende tijd
ingestaan verleden tijd, deelwoord
ingestaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingestaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
insta bijzin, tegenwoordige tijd
instaand onvoltooid, deelwoord
instaat bijzin, tegenwoordige tijd
instond bijzin, verleden tijd
instonden bijzin, verleden tijd
sta in gebiedende wijs
stond in verleden tijd
te hebben ingestaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen instaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ingestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal instaan bijzin, toekomende tijd
zou ingestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou instaan bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) instaan in zou(dt) staan bijzin, voorwaardelijk
zouden ingestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden instaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingestaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt instaan bijzin, voorwaardelijk
zullen ingestaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingestaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen instaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen instaan bijzin, toekomende tijd
zult ingestaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult instaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult instaan bijzin, toekomende tijd
zult/zal instaan in zult/zal staan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en staan ww

Woordfamilie van instaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingestaan voltooid deelwoord instaan
insta subordinate-clause, tegenwoordige tijd instaan
instaand onvoltooid deelwoord instaan
instaande woordvorm instaan
instaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd instaan
instond subordinate-clause, verleden tijd instaan
instonden subordinate-clause, verleden tijd instaan
sta in gebiedende wijs instaan
staan in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon instaan
staat in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon instaan
stond in verleden tijd instaan
stonden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon instaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van instaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over instaan

Hoe spreek ik instaan uit?
Zo spreek je instaan uit: /ˈɪnstan/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van instaan?
Instaan is een werkwoord. De betekenis is: ergens borg voor staan. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik instaan?
Zo vervoeg je instaan zo: het voltooid deelwoord is ingestaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord instaan is 9 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 9 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

instaan levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 82 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 10 zonder bonus
  9. 82 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (I) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

instaan telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

instaan in het kort

instaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van instaan staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort instaan bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

instaan: ergens borg voor staan
Deel instaan — standaardnederlands.nl