Naar de inhoud

inspringen

met een sprong zich in iets begeven

inspringen

werkwoord

Betekenis

  1. met een sprong zich in iets begeven
  2. een wat grotere kantlijn onbeschreven laten
  3. stapgewijs terugwijken, een strook onbebouwd laten
  4. een opengevallen plaats innemen om hulp te bieden

Vervoeging van inspringen

inspringenhele werkwoord — sprong inverleden tijd enkelvoud — sprongen inverleden tijd meervoud — ingesprongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spring in sprong in
jij springt in sprong in
hij, zij, het springt in sprong in
wij springen in sprongen in
jullie springen in sprongen in
zij springen in sprongen in
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had ingesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te springen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal springen bijzin, toekomende tijd
in zou springen bijzin, voorwaardelijk
in zouden springen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt springen bijzin, voorwaardelijk
in zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen springen bijzin, toekomende tijd
in zult springen bijzin, toekomende tijd
ingesprongen verleden tijd, deelwoord
ingesprongen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingesprongen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inspring bijzin, tegenwoordige tijd
inspringend onvoltooid, deelwoord
inspringt bijzin, tegenwoordige tijd
insprong bijzin, verleden tijd
insprongen bijzin, verleden tijd
spring in gebiedende wijs
sprong in verleden tijd
te hebben ingesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal ingesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inspringen bijzin, toekomende tijd
zou ingesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inspringen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inspringen in zou(dt) springen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inspringen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingesprongen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inspringen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inspringen bijzin, toekomende tijd
zult ingesprongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult inspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inspringen bijzin, toekomende tijd
zult/zal inspringen in zult/zal springen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en springen ww

Woordfamilie van inspringen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingesprongen voltooid deelwoord inspringen
inspring subordinate-clause, tegenwoordige tijd inspringen
inspringe with-subordinate-clause inspringen
inspringend onvoltooid deelwoord inspringen
inspringende woordvorm inspringen
inspringt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inspringen
insprong subordinate-clause, verleden tijd inspringen
insprongen subordinate-clause, verleden tijd inspringen
spring in gebiedende wijs inspringen
springe in woordvorm inspringen
springen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inspringen
springt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inspringen
sprong in verleden tijd inspringen
sprongen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inspringen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inspringen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over inspringen

Wat is de betekenis van inspringen?
Inspringen is een werkwoord. De betekenis is: met een sprong zich in iets begeven. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik inspringen?
Zo vervoeg je inspringen zo: het voltooid deelwoord is ingesprongen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inspringen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. P 3
  5. R 2
  6. I 1
  7. N 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inspringen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. P 4
  5. R 2
  6. I 2
  7. N 1
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inspringen in het kort

inspringen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van inspringen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inspringen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inspringen: met een sprong zich in iets begeven
Deel inspringen — standaardnederlands.nl