inspringen
werkwoordBetekenis
- met een sprong zich in iets begeven
- een wat grotere kantlijn onbeschreven laten
- stapgewijs terugwijken, een strook onbebouwd laten
- een opengevallen plaats innemen om hulp te bieden
Vervoeging van inspringen
inspringenhele werkwoord — sprong inverleden tijd enkelvoud — sprongen inverleden tijd meervoud — ingesprongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spring in | sprong in |
| jij | springt in | sprong in |
| hij, zij, het | springt in | sprong in |
| wij | springen in | sprongen in |
| jullie | springen in | sprongen in |
| zij | springen in | sprongen in |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te springen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal springen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou springen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden springen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt springen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen springen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult springen | bijzin, toekomende tijd |
| ingesprongen | verleden tijd, deelwoord |
| ingesprongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingesprongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inspring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inspringend | onvoltooid, deelwoord |
| inspringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| insprong | bijzin, verleden tijd |
| insprongen | bijzin, verleden tijd |
| spring in | gebiedende wijs |
| sprong in | verleden tijd |
| te hebben ingesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ingesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zou ingesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inspringen in zou(dt) springen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingesprongen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingesprongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal inspringen in zult/zal springen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en springen ww
Woordfamilie van inspringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingesprongen | voltooid deelwoord | inspringen |
| inspring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inspringen |
| inspringe | with-subordinate-clause | inspringen |
| inspringend | onvoltooid deelwoord | inspringen |
| inspringende | woordvorm | inspringen |
| inspringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inspringen |
| insprong | subordinate-clause, verleden tijd | inspringen |
| insprongen | subordinate-clause, verleden tijd | inspringen |
| spring in | gebiedende wijs | inspringen |
| springe in | woordvorm | inspringen |
| springen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inspringen |
| springt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inspringen |
| sprong in | verleden tijd | inspringen |
| sprongen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inspringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inspringen zijn vastgelegd.