Naar de inhoud

inspreken

door praten een overtuiging bewerkstelligen

inspreken

werkwoord ˈɪnsprekə(n)

Betekenis

  1. door praten een overtuiging bewerkstelligen
  2. via een microfoon een geluidsopname vastleggen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Hoe spreek je inspreken uit?

/ˈɪnsprekən/

Inspreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɪnsprekən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
n nek
s sok
p pak
r rood
e veel
k kat
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van inspreken

insprekenhele werkwoord — sprak inverleden tijd enkelvoud — spraken inverleden tijd meervoud — ingesprokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spreek in sprak in
jij spreekt in spraakt in
hij, zij, het spreekt in sprak in
wij spreken in spraken in
jullie spreken in spraken in
zij spreken in spraken in
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingesproken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingesproken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingesproken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingesproken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingesproken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingesproken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingesproken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te spreken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal spreken bijzin, toekomende tijd
in zou spreken bijzin, voorwaardelijk
in zouden spreken bijzin, voorwaardelijk
in zoudt spreken bijzin, voorwaardelijk
in zullen spreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen spreken bijzin, toekomende tijd
in zult spreken bijzin, toekomende tijd
ingesproken verleden tijd, deelwoord
ingesproken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingesproken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingesproken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingesproken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingesproken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingesproken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingesproken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingesproken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingesproken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingesproken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inspraakt bijzin, verleden tijd
insprak bijzin, verleden tijd
inspraken bijzin, verleden tijd
inspreek bijzin, tegenwoordige tijd
inspreekt bijzin, tegenwoordige tijd
insprekend onvoltooid, deelwoord
is ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sprak in verleden tijd
spreek in gebiedende wijs
te hebben ingesproken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inspreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingesproken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingesproken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingesproken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingesproken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingesproken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingesproken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingesproken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inspreken bijzin, toekomende tijd
zijn ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingesproken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inspreken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inspreken in zou(dt) spreken bijzin, voorwaardelijk
zouden ingesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inspreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingesproken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingesproken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inspreken bijzin, voorwaardelijk
zullen ingesproken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingesproken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingesproken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingesproken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingesproken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingesproken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingesproken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inspreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inspreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inspreken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en spreken ww

Woordfamilie van inspreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingesproken voltooid deelwoord inspreken
insprak subordinate-clause, verleden tijd inspreken
inspraken subordinate-clause, verleden tijd inspreken
inspreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd inspreken
inspreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inspreken
inspreke with-subordinate-clause inspreken
insprekend onvoltooid deelwoord inspreken
insprekende woordvorm inspreken
spraakt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon inspreken
sprak in verleden tijd inspreken
spraken in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inspreken
spreek in gebiedende wijs inspreken
spreekt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inspreken
spreke in woordvorm inspreken
spreken in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inspreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inspreken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inspreken

Hoe spreek ik inspreken uit?
Zo spreek je inspreken uit: /ˈɪnsprekə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van inspreken?
Inspreken is een werkwoord. De betekenis is: door praten een overtuiging bewerkstelligen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik inspreken?
Zo vervoeg je inspreken zo: het voltooid deelwoord is ingesproken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inspreken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. P 3
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inspreken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. P 4
  5. R 2
  6. E 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inspreken in het kort

inspreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van inspreken staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inspreken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inspreken: door praten een overtuiging bewerkstelligen
Deel inspreken — standaardnederlands.nl