Naar de inhoud

inspelen

aanpassen aan gebeurtenissen

inspelen

werkwoord ˈɪnspelə(n)

Betekenis

  1. aanpassen aan gebeurtenissen
  2. door spelen geschikt maken voor gebruik (bijv. van een instrument)
  3. zich ~: al spelend zich voorbereiden op iets

Hoe spreek je inspelen uit?

/ˈɪnspelən/

Inspelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɪnspelən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
n nek
s sok
p pak
e veel
l land
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van inspelen

inspelenhele werkwoord — speelde inverleden tijd enkelvoud — speelden inverleden tijd meervoud — ingespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel in speelde in
jij speelt in speelde in
hij, zij, het speelt in speelde in
wij spelen in speelden in
jullie spelen in speelden in
zij spelen in speelden in
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingespeeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingespeeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingespeeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingespeeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingespeeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingespeeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingespeeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal spelen bijzin, toekomende tijd
in zou spelen bijzin, voorwaardelijk
in zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
in zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen spelen bijzin, toekomende tijd
in zult spelen bijzin, toekomende tijd
ingespeeld verleden tijd, deelwoord
ingespeeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingespeeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingespeeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingespeeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingespeeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingespeeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingespeeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingespeeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inspeel bijzin, tegenwoordige tijd
inspeelde bijzin, verleden tijd
inspeelden bijzin, verleden tijd
inspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
inspelend onvoltooid, deelwoord
is ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
speel in gebiedende wijs
speel u/je in, speelt je in gebiedende wijs
speelde in verleden tijd
te hebben ingespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingespeeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inspelen bijzin, toekomende tijd
zal me inspelen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich inspelen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je inspelen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich ingespeeld hebben verleden tijd
zich inspelend onvoltooid, deelwoord
zijn ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inspelen in zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingespeeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van in en spelen

Woordfamilie van inspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
inspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd inspelen
inspeelde subordinate-clause, verleden tijd inspelen
inspeelden subordinate-clause, verleden tijd inspelen
inspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inspelen
inspele with-subordinate-clause inspelen
inspelend onvoltooid deelwoord inspelen
inspelende woordvorm inspelen
speel in gebiedende wijs inspelen
speelde in verleden tijd inspelen
speelden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inspelen
speelt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inspelen
spele in woordvorm inspelen
spelen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inspelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inspelen

Hoe spreek je inspelen uit?
De uitspraak van inspelen is: /ˈɪnspelə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent inspelen?
Inspelen is een werkwoord. Het woord betekent: aanpassen aan gebeurtenissen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inspelen?
Je vervoegt inspelen als volgt: het voltooid deelwoord is ingespeeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inspelen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. P 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inspelen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. P 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inspelen in het kort

inspelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inspelen zijn 99 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inspelen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inspelen: aanpassen aan gebeurtenissen
Deel inspelen — standaardnederlands.nl