Naar de inhoud

insnoeren

met een snoer plaatselijk vernauwen

insnoeren

werkwoord

Betekenis

  1. met een snoer plaatselijk vernauwen

Vervoeging van insnoeren

insnoerenhele werkwoord — snoerde inverleden tijd enkelvoud — snoerden inverleden tijd meervoud — ingesnoerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik snoer in snoerde in
jij snoert in snoerde in
hij, zij, het snoert in snoerde in
wij snoeren in snoerden in
jullie snoeren in snoerden in
zij snoeren in snoerden in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingesnoerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingesnoerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingesnoerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingesnoerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingesnoerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingesnoerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingesnoerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingesnoerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingesnoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingesnoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingesnoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingesnoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingesnoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te snoeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen snoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal snoeren bijzin, toekomende tijd
in zou snoeren bijzin, voorwaardelijk
in zouden snoeren bijzin, voorwaardelijk
in zoudt snoeren bijzin, voorwaardelijk
in zullen snoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen snoeren bijzin, toekomende tijd
in zult snoeren bijzin, toekomende tijd
ingesnoerd verleden tijd, deelwoord
ingesnoerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingesnoerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingesnoerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingesnoerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingesnoerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingesnoerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingesnoerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingesnoerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingesnoerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingesnoerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
insnoer bijzin, tegenwoordige tijd
insnoerde bijzin, verleden tijd
insnoerden bijzin, verleden tijd
insnoerend onvoltooid, deelwoord
insnoert bijzin, tegenwoordige tijd
is ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
snoer in gebiedende wijs
snoerde in verleden tijd
te hebben ingesnoerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen insnoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingesnoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingesnoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingesnoerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingesnoerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingesnoerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingesnoerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal insnoeren bijzin, toekomende tijd
zijn ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingesnoerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou insnoeren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) insnoeren in zou(dt) snoeren bijzin, voorwaardelijk
zouden ingesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden insnoeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingesnoerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingesnoerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt insnoeren bijzin, voorwaardelijk
zullen ingesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingesnoerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingesnoerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen insnoeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen insnoeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen insnoeren bijzin, toekomende tijd
zult ingesnoerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in en snoeren

Woordfamilie van insnoeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingesnoerd voltooid deelwoord insnoeren
ingesnoerde woordvorm insnoeren
insnoer subordinate-clause, tegenwoordige tijd insnoeren
insnoerde subordinate-clause, verleden tijd insnoeren
insnoerden subordinate-clause, verleden tijd insnoeren
insnoere with-subordinate-clause insnoeren
insnoerend onvoltooid deelwoord insnoeren
insnoerende woordvorm insnoeren
insnoert subordinate-clause, tegenwoordige tijd insnoeren
snoer in gebiedende wijs insnoeren
snoerde in verleden tijd insnoeren
snoerden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon insnoeren
snoere in woordvorm insnoeren
snoeren in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon insnoeren
snoert in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon insnoeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van insnoeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over insnoeren

Wat is de betekenis van insnoeren?
Insnoeren is een werkwoord. De betekenis is: met een snoer plaatselijk vernauwen.
Hoe vervoeg ik insnoeren?
Zo vervoeg je insnoeren zo: het voltooid deelwoord is ingesnoerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord insnoeren is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. S 2
  4. N 1
  5. O 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

insnoeren levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 48 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. S 2
  4. N 1
  5. O 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 12 zonder bonus
  11. 48 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (I) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

insnoeren in het kort

insnoeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van insnoeren staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort insnoeren bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

insnoeren: met een snoer plaatselijk vernauwen
Deel insnoeren — standaardnederlands.nl