Naar de inhoud

inprenten

diep in het geheugen vastleggen

inprenten

werkwoord

Betekenis

  1. diep in het geheugen vastleggen
  2. er een indruk op maken, er een stempel op zetten

Vervoeging van inprenten

inprentenhele werkwoord — prentte inverleden tijd enkelvoud — prentten inverleden tijd meervoud — ingeprentvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik prent in prentte in
jij prent in prentte in
hij, zij, het prent in prentte in
wij prenten in prentten in
jullie prenten in prentten in
zij prenten in prentten in
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingeprent impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingeprent impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingeprent impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingeprent impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingeprent worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingeprent zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingeprent worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingeprent zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingeprent voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingeprent voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingeprent voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingeprent voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingeprent voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingeprent voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingeprent voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeprent actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te prenten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen prenten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal prenten bijzin, toekomende tijd
in zou prenten bijzin, voorwaardelijk
in zouden prenten bijzin, voorwaardelijk
in zoudt prenten bijzin, voorwaardelijk
in zullen prenten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen prenten bijzin, toekomende tijd
in zult prenten bijzin, toekomende tijd
ingeprent verleden tijd, deelwoord
ingeprent te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeprent te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeprent te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeprent te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeprent te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeprent worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeprent zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeprent zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeprent zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeprent zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inprent bijzin, tegenwoordige tijd
inprentend onvoltooid, deelwoord
inprentte bijzin, verleden tijd
inprentten bijzin, verleden tijd
is ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
prent in gebiedende wijs
prentte in verleden tijd
te hebben ingeprent actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inprenten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeprent voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeprent voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeprent voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeprent voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeprent voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeprent voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeprent voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingeprent enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingeprent enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingeprent enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingeprent enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingeprent enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingeprent enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingeprent enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingeprent enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingeprent enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingeprent enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingeprent enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingeprent enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingeprent enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingeprent hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeprent hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeprent hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingeprent zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeprent zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inprenten bijzin, toekomende tijd
zijn ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeprent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeprent hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeprent hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeprent hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeprent zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeprent zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeprent zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inprenten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inprenten in zou(dt) prenten bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeprent hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeprent hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeprent hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeprent zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeprent zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeprent zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inprenten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeprent hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeprent zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inprenten bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeprent hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeprent hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeprent hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeprent zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeprent zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeprent zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inprenten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inprenten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inprenten bijzin, toekomende tijd
zult ingeprent hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ingeprent worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘doen doordringen’ voor het eerst aangetroffen in 1450

Woordfamilie van inprenten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeprent voltooid deelwoord inprenten
ingeprente woordvorm inprenten
inprent subordinate-clause, tegenwoordige tijd inprenten
inprente with-subordinate-clause inprenten
inprentend onvoltooid deelwoord inprenten
inprentende woordvorm inprenten
inprentte subordinate-clause, verleden tijd inprenten
inprentten subordinate-clause, verleden tijd inprenten
prent in gebiedende wijs inprenten
prente in woordvorm inprenten
prenten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inprenten
prentte in verleden tijd inprenten
prentten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inprenten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inprenten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over inprenten

Wat betekent inprenten?
Inprenten is een werkwoord. Het woord betekent: diep in het geheugen vastleggen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inprenten?
Je vervoegt inprenten als volgt: het voltooid deelwoord is ingeprent. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inprenten is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. P 3
  4. R 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inprenten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. P 4
  4. R 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inprenten in het kort

inprenten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inprenten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inprenten bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inprenten: diep in het geheugen vastleggen
Deel inprenten — standaardnederlands.nl