inkoopsom
zelfstandig naamwoordBetekenis
- bedrag dat een winkelier betaalt aan de fabrikant of groothandelaar voor de goederen die hij in zijn winkel gaat verkopen
- eenmalig bedrag waarvoor men zich een plandurig recht verschaft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| inkoopsommen | meervoud |
| inkoopsommetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| inkoopsommetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van inkopen ww en som zn
Woordfamilie van inkoopsom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inkoopsommen | meervoud | inkoopsom |
| inkoopsommetje | verkleinwoord | inkoopsom |
| inkoopsommetjes | verkleinwoord meervoud | inkoopsom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inkoopsom zijn vastgelegd.