inklappen
werkwoordBetekenis
- een voorwerp verkleinen in omvang door scharnierende delen naar binnen te bewegen
- kleiner in omvang worden doordat scharnierende delen naar binnen bewegen
- ineenstorten, bezwijken, zijn structurele stabiliteit verliezen
Vervoeging van inklappen
inklappenhele werkwoord — klapte inverleden tijd enkelvoud — klapten inverleden tijd meervoud — ingeklaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | klap in | klapte in |
| jij | klapt in | klapte in |
| hij, zij, het | klapt in | klapte in |
| wij | klappen in | klapten in |
| jullie | klappen in | klapten in |
| zij | klappen in | klapten in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingeklapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingeklapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingeklapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingeklapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingeklapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingeklapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingeklapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingeklapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingeklapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingeklapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingeklapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingeklapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingeklapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingeklapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingeklapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeklapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te klappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen klappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal klappen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou klappen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden klappen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt klappen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen klappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen klappen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult klappen | bijzin, toekomende tijd |
| ingeklapt | verleden tijd, deelwoord |
| ingeklapt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeklapt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeklapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeklapt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeklapt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeklapt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeklapt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeklapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeklapt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeklapt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inklap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inklappend | onvoltooid, deelwoord |
| inklapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inklapte | bijzin, verleden tijd |
| inklapten | bijzin, verleden tijd |
| is ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klap in | gebiedende wijs |
| klapte in | verleden tijd |
| te hebben ingeklapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inklappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingeklapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeklapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingeklapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeklapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingeklapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingeklapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingeklapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingeklapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingeklapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeklapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeklapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingeklapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeklapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inklappen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingeklapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingeklapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeklapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeklapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeklapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeklapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeklapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inklappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inklappen in zou(dt) klappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeklapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeklapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeklapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeklapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeklapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeklapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inklappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeklapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeklapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inklappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeklapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeklapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeklapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingeklapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeklapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeklapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeklapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inklappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inklappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inklappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeklapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van in en klappen
Woordfamilie van inklappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingeklapt | voltooid deelwoord | inklappen |
| ingeklapte | woordvorm | inklappen |
| inklap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inklappen |
| inklappe | with-subordinate-clause | inklappen |
| inklappend | onvoltooid deelwoord | inklappen |
| inklappende | woordvorm | inklappen |
| inklapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inklappen |
| inklapte | subordinate-clause, verleden tijd | inklappen |
| inklapten | subordinate-clause, verleden tijd | inklappen |
| klap in | gebiedende wijs | inklappen |
| klappe in | woordvorm | inklappen |
| klappen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inklappen |
| klapt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inklappen |
| klapte in | verleden tijd | inklappen |
| klapten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inklappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inklappen zijn vastgelegd.