Naar de inhoud

inklappen

een voorwerp verkleinen in omvang door scharnierende delen naar binnen te bewegen

inklappen

werkwoord

Betekenis

  1. een voorwerp verkleinen in omvang door scharnierende delen naar binnen te bewegen
  2. kleiner in omvang worden doordat scharnierende delen naar binnen bewegen
  3. ineenstorten, bezwijken, zijn structurele stabiliteit verliezen

Vervoeging van inklappen

inklappenhele werkwoord — klapte inverleden tijd enkelvoud — klapten inverleden tijd meervoud — ingeklaptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klap in klapte in
jij klapt in klapte in
hij, zij, het klapt in klapte in
wij klappen in klapten in
jullie klappen in klapten in
zij klappen in klapten in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingeklapt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingeklapt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingeklapt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingeklapt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingeklapt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingeklapt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingeklapt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingeklapt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingeklapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingeklapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingeklapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingeklapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingeklapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingeklapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingeklapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeklapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te klappen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen klappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal klappen bijzin, toekomende tijd
in zou klappen bijzin, voorwaardelijk
in zouden klappen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt klappen bijzin, voorwaardelijk
in zullen klappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen klappen bijzin, toekomende tijd
in zult klappen bijzin, toekomende tijd
ingeklapt verleden tijd, deelwoord
ingeklapt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeklapt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeklapt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeklapt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeklapt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeklapt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeklapt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeklapt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeklapt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeklapt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inklap bijzin, tegenwoordige tijd
inklappend onvoltooid, deelwoord
inklapt bijzin, tegenwoordige tijd
inklapte bijzin, verleden tijd
inklapten bijzin, verleden tijd
is ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klap in gebiedende wijs
klapte in verleden tijd
te hebben ingeklapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inklappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeklapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeklapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeklapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeklapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeklapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeklapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeklapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingeklapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingeklapt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeklapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeklapt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingeklapt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeklapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inklappen bijzin, toekomende tijd
zijn ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeklapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeklapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeklapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeklapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeklapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeklapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeklapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inklappen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inklappen in zou(dt) klappen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeklapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeklapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeklapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeklapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeklapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeklapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inklappen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeklapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeklapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inklappen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeklapt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeklapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeklapt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingeklapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeklapt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeklapt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeklapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inklappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inklappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inklappen bijzin, toekomende tijd
zult ingeklapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in en klappen

Woordfamilie van inklappen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeklapt voltooid deelwoord inklappen
ingeklapte woordvorm inklappen
inklap subordinate-clause, tegenwoordige tijd inklappen
inklappe with-subordinate-clause inklappen
inklappend onvoltooid deelwoord inklappen
inklappende woordvorm inklappen
inklapt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inklappen
inklapte subordinate-clause, verleden tijd inklappen
inklapten subordinate-clause, verleden tijd inklappen
klap in gebiedende wijs inklappen
klappe in woordvorm inklappen
klappen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inklappen
klapt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inklappen
klapte in verleden tijd inklappen
klapten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inklappen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inklappen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inklappen

Wat betekent inklappen?
Inklappen is een werkwoord. Het woord betekent: een voorwerp verkleinen in omvang door scharnierende delen naar binnen te bewegen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inklappen?
Je vervoegt inklappen als volgt: het voltooid deelwoord is ingeklapt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inklappen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. K 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. P 3
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inklappen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. K 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. P 4
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inklappen in het kort

inklappen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inklappen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inklappen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inklappen: een voorwerp verkleinen in omvang door scharnierende delen naar binnen te bewegen
Deel inklappen — standaardnederlands.nl