ineenstorten
werkwoordBetekenis
- in stukken uiteenvallen, instorten, gewoonlijk tot een veel kleiner volume
Vervoeging van ineenstorten
ineenstortenhele werkwoord — stortte ineenverleden tijd enkelvoud — stortten ineenverleden tijd meervoud — ineengestortvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stort ineen | stortte ineen |
| jij | stort ineen | stortte ineen |
| hij, zij, het | stort ineen | stortte ineen |
| wij | storten ineen | stortten ineen |
| jullie | storten ineen | stortten ineen |
| zij | storten ineen | stortten ineen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ineengestort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ineengestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ineen te storten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ineen te zullen storten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ineen zal storten | bijzin, toekomende tijd |
| ineen zou storten | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zouden storten | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zoudt storten | bijzin, voorwaardelijk |
| ineen zullen storten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ineen zullen storten | bijzin, toekomende tijd |
| ineen zult storten | bijzin, toekomende tijd |
| ineengestort | verleden tijd, deelwoord |
| ineengestort te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ineengestort zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ineenstort | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ineenstortend | onvoltooid, deelwoord |
| ineenstortte | bijzin, verleden tijd |
| ineenstortten | bijzin, verleden tijd |
| is ineengestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ineengestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stort ineen | gebiedende wijs |
| stortte ineen | verleden tijd |
| te zijn ineengestort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ineenstorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ineengestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ineengestort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ineengestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ineengestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ineengestort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ineengestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ineengestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ineengestort zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ineengestort zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ineengestort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ineenstorten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ineengestort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ineengestort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ineengestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ineengestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ineengestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ineengestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ineengestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ineengestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ineenstorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ineenstorten ineen zou(dt) storten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ineengestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ineengestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ineengestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ineenstorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ineengestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ineenstorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ineengestort zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ineengestort zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ineengestort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ineenstorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ineenstorten | bijzin, toekomende tijd |
| zult ineengestort zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ineenstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ineenstorten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal ineenstorten ineen zult/zal storten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van ineen en storten
Woordfamilie van ineenstorten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ineengestort | voltooid deelwoord | ineenstorten |
| ineengestorte | woordvorm | ineenstorten |
| ineenstort | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ineenstorten |
| ineenstorte | with-subordinate-clause | ineenstorten |
| ineenstortend | onvoltooid deelwoord | ineenstorten |
| ineenstortende | woordvorm | ineenstorten |
| ineenstortte | subordinate-clause, verleden tijd | ineenstorten |
| ineenstortten | subordinate-clause, verleden tijd | ineenstorten |
| stort ineen | gebiedende wijs | ineenstorten |
| storte ineen | woordvorm | ineenstorten |
| storten ineen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ineenstorten |
| stortte ineen | verleden tijd | ineenstorten |
| stortten ineen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ineenstorten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ineenstorten zijn vastgelegd.