indringen
werkwoordBetekenis
- binnendringen, door dringen ergens in.
- zich ~: zich door list, onbeschaamdheid enz. toegang bezorgen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van indringen
indringenhele werkwoord — drong inverleden tijd enkelvoud — drongen inverleden tijd meervoud — ingedrongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dring in | drong in |
| jij | dringt in | drong in |
| hij, zij, het | dringt in | drong in |
| wij | dringen in | drongen in |
| jullie | dringen in | drongen in |
| zij | dringen in | drongen in |
Alle 60 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dring in | gebiedende wijs |
| dring u/je in, dringt je in | gebiedende wijs |
| drong in | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| in te dringen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen dringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal dringen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen dringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen dringen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult dringen | bijzin, toekomende tijd |
| indring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| indringend | onvoltooid, deelwoord |
| indringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| indrong | bijzin, verleden tijd |
| indrongen | bijzin, verleden tijd |
| indrongt | bijzin, verleden tijd |
| ingedrongen | verleden tijd, deelwoord |
| ingedrongen te zullen zijn, hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingedrongen zullen zijn, hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te zijn, hebben ingedrongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen indringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal indringen | bijzin, toekomende tijd |
| zal me indringen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich indringen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je indringen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich indringend | onvoltooid, deelwoord |
| zich ingedrongen hebben | verleden tijd |
| zijn, hebben ingedrongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou indringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) indringen in zou(dt) dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden indringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt indringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen indringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen indringen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen je indringen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons indringen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich indringen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult indringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult indringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult u indringen | tweede persoon |
| zult u indringen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u indringen | tweede persoon |
| zult zich/u indringen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal indringen in zult/zal dringen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en dringen ww
Woordfamilie van indringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dring in | gebiedende wijs | indringen |
| dringe in | woordvorm | indringen |
| dringen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | indringen |
| dringt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | indringen |
| drong in | verleden tijd | indringen |
| drongen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | indringen |
| indring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | indringen |
| indringe | with-subordinate-clause | indringen |
| indringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | indringen |
| indrong | subordinate-clause, verleden tijd | indringen |
| indrongen | subordinate-clause, verleden tijd | indringen |
| ingedrongen | voltooid deelwoord | indringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van indringen zijn vastgelegd.