index
zelfstandig naamwoordBetekenis
- register 1, inhoudsopgave, catalogus (bijv. een webindex)
- 'index librorum prohibitorum', eertijds lijst van door de roomse curie verboden boeken
- toegevoegd cijfertje of lettertje dat een grootheid in een bepaalde categorie rangschikt (subscript, superscript)
- een indicator voor een belangrijke eigenschap (zoals de aandelenindex die geeft over de markt), een kengetal
- prijsindex
- tabel (indexbestand) waarmee toegang tot het hoofdbestand wordt verkregen via een ander criterium dan diens sleutel (combinatie van andere rubrieken)
- wijsvinger
zelfstandig naamwoord — masculine
- register [1], inhoudsopgave, catalogus (bijv. een webindex)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| indexen | meervoud |
| indexje | verkleinwoord, enkelvoud |
| indexjes | verkleinwoord, meervoud |
| indices | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘inhoudsopgave, verhoudingscijfer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1676
Woordfamilie van index
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| indexen | meervoud | index |
| indexje | verkleinwoord | index |
| indexjes | verkleinwoord meervoud | index |
| indices | meervoud | index |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van index zijn vastgelegd.