indenken
werkwoordBetekenis
- iets van te voren in het plan opnemen
- zich iets ~: begrip kunnen opbrengen voor iets
Vervoeging van indenken
indenkenhele werkwoord — dacht inverleden tijd enkelvoud — dachten inverleden tijd meervoud — ingedachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | denk in | dacht in |
| jij | denkt in | dacht in |
| hij, zij, het | denkt in | dacht in |
| wij | denken in | dachten in |
| jullie | denken in | dachten in |
| zij | denken in | dachten in |
Alle 87 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dacht in | verleden tijd |
| denk in | gebiedende wijs |
| denk u/je in, denkt je in | gebiedende wijs |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingedacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingedacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingedacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingedacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingedacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingedacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingedacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingedacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingedacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te denken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen denken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal denken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou denken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden denken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt denken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen denken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen denken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult denken | bijzin, toekomende tijd |
| indacht | bijzin, verleden tijd |
| indachten | bijzin, verleden tijd |
| indenk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| indenkend | onvoltooid, deelwoord |
| indenkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ingedacht | verleden tijd, deelwoord |
| ingedacht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingedacht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben ingedacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen indenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal indenken | bijzin, toekomende tijd |
| zal ingedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me indenken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich indenken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je indenken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich indenkend | onvoltooid, deelwoord |
| zich ingedacht hebben | verleden tijd |
| zou indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou indenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou ingedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) indenken in zou(dt) denken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden indenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt indenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingedacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen indenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen indenken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen ingedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je indenken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons indenken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich indenken | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult indenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult indenken | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingedacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult u indenken | tweede persoon |
| zult u indenken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u indenken | tweede persoon |
| zult zich/u indenken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal indenken in zult/zal denken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en denken ww
Woordfamilie van indenken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dacht in | verleden tijd | indenken |
| dachten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | indenken |
| denk in | gebiedende wijs | indenken |
| denke in | woordvorm | indenken |
| denken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | indenken |
| denkt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | indenken |
| indacht | subordinate-clause, verleden tijd | indenken |
| indachten | subordinate-clause, verleden tijd | indenken |
| indenk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | indenken |
| indenke | with-subordinate-clause | indenken |
| indenkend | onvoltooid deelwoord | indenken |
| indenkende | woordvorm | indenken |
| indenkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | indenken |
| ingedacht | voltooid deelwoord | indenken |
| ingedachte | woordvorm | indenken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van indenken zijn vastgelegd.