inclineren
werkwoordBetekenis
- tenderen, overhellen, neigen
Vervoeging van inclineren
inclinerenhele werkwoord — inclineerdeverleden tijd enkelvoud — inclineerdenverleden tijd meervoud — geïnclineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | inclineer | inclineerde |
| jij | inclineert | inclineerde |
| hij, zij, het | inclineert | inclineerde |
| wij | inclineren | inclineerden |
| jullie | inclineren | inclineerden |
| zij | inclineren | inclineerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnclineerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnclineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnclineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnclineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnclineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnclineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnclineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnclineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnclineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnclineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnclineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnclineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| inclineer | gebiedende wijs |
| inclineerde | verleden tijd |
| inclinere | aanvoegende wijs |
| inclinerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geïnclineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te inclineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inclineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geïnclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geïnclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnclineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inclineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnclineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inclineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse incliner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van inclineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnclineerd | voltooid deelwoord | inclineren |
| geïnclineerde | woordvorm | inclineren |
| inclineer | gebiedende wijs | inclineren |
| inclineerde | verleden tijd | inclineren |
| inclineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inclineren |
| inclineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inclineren |
| inclinere | aanvoegende wijs | inclineren |
| inclinerend | onvoltooid deelwoord | inclineren |
| inclinerende | woordvorm | inclineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inclineren zijn vastgelegd.