incident
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een opschudding verwekkend voorval
- vervelende gebeurtenis, ongeval
- twistpunt naast het hoofdgeschil in een geding 1
- voorval
- bijkomend, incidenteel
- inherent
- binnenvallend (van deeltjes, straling)
zelfstandig naamwoord — neuter
- twistpunt naast het hoofdgeschil in een geding [1]
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| incidenten | meervoud |
| incidentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| incidentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, verder te herleiden tot het Latijnse incidens. In de betekenis van ‘(hinderlijk) voorval’ voor het eerst aangetroffen in 1683
Woordfamilie van incident
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| incidenten | meervoud | incident |
| incidentje | verkleinwoord | incident |
| incidentjes | verkleinwoord meervoud | incident |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van incident zijn vastgelegd.