Naar de inhoud

inbreken

zich met geweld een toegang verschaffen

inbreken

werkwoord ˈɪmbrekə(n)

Betekenis

  1. zich met geweld een toegang verschaffen

Hoe spreek je inbreken uit?

/ˈɪmbrekən/

Inbreken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɪmbrekən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
m maan
b bak
r rood
e veel
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van inbreken

inbrekenhele werkwoord — brak inverleden tijd enkelvoud — braken inverleden tijd meervoud — ingebrokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik breek in brak in
jij breekt in braakt in
hij, zij, het breekt in brak in
wij breken in braken in
jullie breken in braken in
zij breken in braken in
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
brak in verleden tijd
breek in gebiedende wijs
er is ingebroken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingebroken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingebroken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingebroken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingebroken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingebroken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingebroken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingebroken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingebroken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingebroken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingebroken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingebroken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingebroken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingebroken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te breken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal breken bijzin, toekomende tijd
in zou breken bijzin, voorwaardelijk
in zouden breken bijzin, voorwaardelijk
in zoudt breken bijzin, voorwaardelijk
in zullen breken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen breken bijzin, toekomende tijd
in zult breken bijzin, toekomende tijd
inbraakt bijzin, verleden tijd
inbrak bijzin, verleden tijd
inbraken bijzin, verleden tijd
inbreek bijzin, tegenwoordige tijd
inbreekt bijzin, tegenwoordige tijd
inbrekend onvoltooid, deelwoord
ingebroken verleden tijd, deelwoord
ingebroken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingebroken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben ingebroken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inbreken bijzin, toekomende tijd
zal ingebroken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingebroken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingebroken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inbreken bijzin, voorwaardelijk
zou ingebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) inbreken in zou(dt) breken bijzin, voorwaardelijk
zouden inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inbreken bijzin, voorwaardelijk
zouden ingebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inbreken bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingebroken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen inbreken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inbreken bijzin, toekomende tijd
zullen ingebroken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingebroken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingebroken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult inbreken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inbreken bijzin, toekomende tijd
zult ingebroken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal inbreken in zult/zal breken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en breken ww

Woordfamilie van inbreken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brak in verleden tijd inbreken
braken in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inbreken
breek in gebiedende wijs inbreken
breekt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inbreken
breke in woordvorm inbreken
breken in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inbreken
inbrak subordinate-clause, verleden tijd inbreken
inbreek subordinate-clause, tegenwoordige tijd inbreken
inbreekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inbreken
inbreke with-subordinate-clause inbreken
inbrekend onvoltooid deelwoord inbreken
inbrekende woordvorm inbreken
ingebroken voltooid deelwoord inbreken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inbreken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inbreken

Hoe spreek je inbreken uit?
De uitspraak van inbreken is: /ˈɪmbrekə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent inbreken?
Inbreken is een werkwoord. Het woord betekent: zich met geweld een toegang verschaffen.
Hoe vervoeg je inbreken?
Je vervoegt inbreken als volgt: het voltooid deelwoord is ingebroken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inbreken is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. B 3
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inbreken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. B 4
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inbreken in het kort

inbreken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van inbreken zijn 55 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inbreken bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inbreken: zich met geweld een toegang verschaffen
Deel inbreken — standaardnederlands.nl