impregneren
werkwoordBetekenis
- een poreuze vaste stof doordrenken met een vloeistof om hem waterdicht, onbrandbaar enz. te maken
Vervoeging van impregneren
impregnerenhele werkwoord — impregneerdeverleden tijd enkelvoud — impregneerdenverleden tijd meervoud — geïmpregneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | impregneer | impregneerde |
| jij | impregneert | impregneerde |
| hij, zij, het | impregneert | impregneerde |
| wij | impregneren | impregneerden |
| jullie | impregneren | impregneerden |
| zij | impregneren | impregneerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïmpregneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïmpregneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïmpregneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïmpregneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïmpregneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïmpregneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïmpregneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïmpregneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïmpregneerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïmpregneerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïmpregneerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïmpregneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïmpregneerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïmpregneerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïmpregneerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïmpregneerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïmpregneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïmpregneerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïmpregneerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïmpregneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| impregneer | gebiedende wijs |
| impregneerde | verleden tijd |
| impregnere | aanvoegende wijs |
| impregnerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïmpregneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te impregneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen impregneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïmpregneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïmpregneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïmpregneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïmpregneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïmpregneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïmpregneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïmpregneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïmpregneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïmpregneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïmpregneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïmpregneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïmpregneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïmpregneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïmpregneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïmpregneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïmpregneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïmpregneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïmpregneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïmpregneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïmpregneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïmpregneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïmpregneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïmpregneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïmpregneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïmpregneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïmpregneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïmpregneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïmpregneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen impregneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïmpregneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïmpregneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïmpregneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult impregneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘doordrenken’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van impregneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïmpregneerd | voltooid deelwoord | impregneren |
| geïmpregneerde | woordvorm | impregneren |
| impregneer | gebiedende wijs | impregneren |
| impregneerde | verleden tijd | impregneren |
| impregneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | impregneren |
| impregneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | impregneren |
| impregnere | aanvoegende wijs | impregneren |
| impregnerend | onvoltooid deelwoord | impregneren |
| impregnerende | woordvorm | impregneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van impregneren zijn vastgelegd.