Naar de inhoud

imkeren

bijen houden

imkeren

werkwoord

Betekenis

  1. bijen houden

Vervoeging van imkeren

imkerenhele werkwoord — imkerdeverleden tijd enkelvoud — imkerdenverleden tijd meervoud — geïmkerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik imker imkerde
jij imkert imkerde
hij, zij, het imkert imkerde
wij imkeren imkerden
jullie imkeren imkerden
zij imkeren imkerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geïmkerd verleden tijd, deelwoord
geïmkerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïmkerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïmkerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïmkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïmkerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïmkerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïmkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïmkerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïmkerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïmkerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïmkerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïmkerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïmkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïmkerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïmkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïmkerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïmkerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
imker gebiedende wijs
imkerde verleden tijd
imkere aanvoegende wijs
imkerend onvoltooid, deelwoord
te hebben geïmkerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te imkeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen imkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geïmkerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïmkerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïmkerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal imkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal imkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal imkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geïmkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïmkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïmkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou imkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou imkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou imkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïmkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïmkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïmkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden imkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden imkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden imkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïmkerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt imkeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïmkerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïmkerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïmkerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen imkeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen imkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen imkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen imkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïmkerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult imkeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van imkeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geïmkerd voltooid deelwoord imkeren
imkerde verleden tijd imkeren
imkerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon imkeren
imkere aanvoegende wijs imkeren
imkerend onvoltooid deelwoord imkeren
imkerende woordvorm imkeren
imkert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon imkeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van imkeren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over imkeren

Wat is de betekenis van imkeren?
Imkeren is een werkwoord. De betekenis is: bijen houden.
Hoe vervoeg ik imkeren?
Zo vervoeg je imkeren zo: de tegenwoordige tijd is imker, de verleden tijd is imkerde en het voltooid deelwoord is geïmkerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord imkeren is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. M 3
  3. K 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

imkeren levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 97 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. M 3
  3. K 3
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 97 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

imkeren telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

imkeren in het kort

imkeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van imkeren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort imkeren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

imkeren: bijen houden
Deel imkeren — standaardnederlands.nl